vrijdag 18 september 2020

Noorwegen - eindeloos

 Uitputtend. Volledig verzadigd. Murw. Overprikkeld. Ik kan geen fraaie natuur meer zien. Wát een geweld aan je ogen, dit oneindige land. 

Ik had een onwaarschijnlijk mooie finale gepland voor onze reis. Via Atlantikveg bij Kristiansund naar het zuiden, Trollstigen op, door de bergen en het Jostedalbreen Nasjonalpark terug naar huis. Nadat we al het grootste deel van Zweden gehad hebben, overgestoken zijn naar Noorwegen vér boven de Poolcirkel, de Lofoten helemaal afgereisd zijn en vandaag met een dronken veerboot de behoorlijk woelige Noorse zee overgestoken zijn naar het vasteland.

We gaan het niet doen. De afstanden, gecombineerd met de tijd die nodig is om ze af te leggen, zijn al heel zwaar. Daarbij komt dat het weer de komende week in het betreffende gebied op zijn best even matig is maar meestal ronduit slecht. De omweg is netto 350 kilometer maar in reistijd meer dan tien uur extra rijden - en we moeten nog zo ver. Ik zou het doen, zeker, wanneer de weersomstandigheden beter waren.

Het zou evenwel ook voelen als afraffelen, als per se alles in één reis willen proppen. We komen hier terug. Noorwegen is ronduit verpletterend. De wegen strak tegen huizenhoge bergen aan geperst. Bergen vol sneeuw en met om de twaalf meter een waterval - soms zo breed als een rivier, soms van honderd of meer meters loodrecht naar beneden vallend. Aan de andere kant van de weg meren en zee-armen, gevaarlijk grommend water variërend van azuurblauw en hawaii-groen tot donkerbruin tot grijszwart. Fjorden. Je hebt er van gehoord, ik had als kind daar een gevoel van onpeilbare diepte, daverende stilte en koude kille dood bij. Dat blijkt te kloppen. Mede door het weer, de wolken willen wel, zoals blijkt uit de plaatjes, worden de fjorden met hun watervallen en onwaarschijnlijk grote, massieve aanwezigheid een combinatie van een droom en een nachtmerrie. Dit land grauwt, suist, davert, sist, kolkt, dondert en dreigt. Het rust zwaar op je ogen, eist volledige aandacht en verrast steeds opnieuw. Een vaag gevoel van onbehagen is steeds bij me geweest sinds we bij Riksgränzen overstaken van Zweden naar Noorwegen. Ik vond het overigens niet onaangenaam - het hoort bij deze wereld, het past bij de omgeving. Niets om mee te spotten, iets om altijd waakzaam bij te blijven.

Pas in Noorwegen werd me écht duidelijk wat de Poolcirkel betekent, wat voor gevaarlijke, rauwe en veeleisende wereld dit is. De winkels zijn geen supermarkten. Het zijn verzamelplaatsen voor jagers en vissers, met grote zakken suiker en meel, boter, visgerei (haken zo groot als je hand en lokvissen zo groot als je onderarm - ik ben gewoon bang voor de vissen die daarmee gevangen worden), touw, spijkerzolen voor je schoenen, brandkasten met vuurwapens, musketonhaken in alle maten, rupsbanden voor sneeuwscooters, gorilla glue en tape, gevriesdroogd vlees, munitie, dikke wollen sokken en mutsen, gasflessen in alle soorten en maten - moet ik doorgaan? Okee. Kettingzagen, messen en bijlen, rendierleren wanten (wat zijn díe lekker zeg), percolators, brandstof, buitenboordmotoren, hele kayaks, winterjassen die zó dik zijn dat ze vanzelf overeind blijven staan, gereedschap in alle soorten en maten (maar vooral héél groot), jerrycans, blikvoorraad, kortom: van alles. 

De paar Noordelijke Noren die we ontmoet hebben waren veelal stug en ontoegankelijk - om ze niet onvriendelijk en afwijzend te noemen. Zelfs ná oogcontact niet bereid te groeten. Matig Engels sprekend, zeker als je net door Zweden bent gereisd waar zo'n beetje iedereen bevallig en elegant Engels spreekt. Mijn Engels is ronduit goed - lelijk maar goed - maar ik voelde me in Zweden een barbaar die Engels mompelt, nog erger dan dat ik dat heb in het Verenigd Koninkrijk, waar iedereen vanzelfsprekend de schuld op zich neemt als je je verontschuldigt voor je accent (oh no, dear, your English is impeccable, I don't speak a word of Dutch!).  

Nu zitten we dus iets noordelijk van Storforshei. Nadat we al twee dagen naar het zuiden aan het reizen zijn. De Poolcirkel ligt nu zo'n dertig kilometer noordelijk van ons. Het lijkt alsof we alleen nog maar even naar het zuiden moeten en dan zijn we er. Dat is min of meer waar. Het is nu vrijdagmiddag, woensdagavond willen we in Fredriksstad zijn, op iets meer dan tweehonderd kilometer van de ferry in Göteborg, die op donderdagavond wegvaart naar Kiel. 

En het is, plat gezegd, nog een tyfus-end. In etappes van driehonderd kilometer op wegen met een gemiddelde van 60-65 kilometer per uur krijgen we het nét voor elkaar. Tussendoor, omdat we de eerder beschreven nogal krankzinnige bokkensprong een andere keer gaan doen, bezoeken we Trondheim en Fredriksstad. Na een overdosis aan natuur willen we ook nog even tussen de mensen zijn en in wat meer herkenbare omgevingen rondwandelen. Maar mijn God, wat een reis. Tegen de tijd dat ik thuiskom ben ik doodmoe ervan. Olga, ik wil meer vrije dagen.



maandag 14 september 2020

De Lofoten

Ik had er wel 'ns van gehoord, van de Lofoten. Eerlijk is eerlijk evenwel, met een spreekwoordelijk pistool op de spreekwoordelijke borst had ik ze op de wereldkaart niet aan kunnen wijzen. Nu sta ik hier aan de wortel van de groep eilanden die door Lonely Planet als "some of the most stunning in the world" worden beschreven.

Het zal mij benieuwen. We hebben de afgelopen dagen een overdosis natuurschoon voor onze kiezen gekregen, je krijgt kramp in je kaken van alle oohs en aahs die je ontsnappen wanneer er zich opnieuw een adembenemend vista voor je ontrolt. De E10 van Kiruna naar Narvik is de mooiste weg die ik ooit gereden heb. En, al zeg ik het zelf, we hebben er best al een paar klassiekers op zitten.

De Italiaanse Stelvio Pass, in Oostenrijk de Größglockner Hochalpenstrasse, in de VS de Pacific Coast Highway, Route 66 (nou ja, een stukje dan) en The Strip in Las Vegas, de Parijse Avenue des Champs-Élysées  (en de beruchte Boulevard Périphérique), de Furka-Pas in Zwitserland en op Mallorca Cap Formentor. Sorry, ik sloeg wat op hol maar ik ben dol op lijstjes en Google is je vriend onder dit soort omstandigheden. Jullie worden van harte uitgenodigd om je eigen aanvullingen en ervaringen door te geven.

Voor deze roadtrip hopen we er nog drie aan toe te voegen: de weg naar de zuidwestpunt van de Lofoten dus, Trollstigen en Atlantic Road.

De foto's (button rechterbalk) die ik inmiddels in mijn Facebook-album gepost heb zullen één en ander onderstrepen. De overnachting bij Riksgränsen, in het wild, gewoon ergens gestopt, op een beeldschone plek, was een absoluut hoogtepunt. De avond werd bekroond met Noorderlicht, niet overdadig maar onmiskenbaar, dus dat konden we ook weer op het lijstje been there,done/ seen that, got the t-shirt zetten.

Je moet er wel wat voor over hebben. De afgelegde afstand per auto (dus zónder ferry) is op dit moment 3100 kilometer en Polly heet volledig Polly Dipsie. Polydipsie, Onlesbare Dorst, in niet-medische taal. Eén op Zeven, had ik haar ook kunnen noemen. De brandstof wordt er niet goedkoper op, hoewel ik nu in Uiterst West-Zweden (om niet te zeggen Noorwegen) zit, waar ze de op drie na grootste olievoorraad ter wereld hebben - maar dat vertalen ze niet naar acceptabele dieselprijzen. De creditcard slijt dus hard. O ja, dus 3100 kilometer - en dít, waar we nu zitten, is waarschijnlijk pas het keerpunt. We gaan in Götenborg aan boord van de Stena Scandinavica op donderdag 24 september en de nog verwachte reisafstand in Scandinavië is zo’n 1900 kilometer. Vanaf Kiel, waar we ontschepen, naar huis is het dan nóg eens 600 kilometer. De afstanden per ferry meegerekend (ook vanaf de Lofoten naar het vasteland wacht ons nog 3 uur ferryreis) is de totale te verwachten reisafstand straks zo'n 6200 kilometer. Zes-duizend-twee-honderd. 

En dan moeten we de Lofoten en Nationaal Park Saltfjellet-Svartisen nog krijgen. Dus de echte mooiigheid zit nog in het vat. We staan op een wat verdrietige camping, twee dagen, om even bij te tanken. Meestal reizen we tussen de 130 en 300 kilometer per dag, afhankelijk van stemming, vordering en omstandigheden. Het is pas de tweede camping deze reis; het aantal nachten wild (dus gewoon aan een meer of in een bos) is minstens de helft van de reisdagen en verder zijn er camperplaatsen die meestal gratis zijn en soms tot twintig euro kosten - die laatste hebben dan wel douches, toilet, stroom en prima WIFI, en zijn dus enkel qua prijs en lokatie te onderscheiden van campings.

Op deze, als gezegd wat verdrietige, camping ging ik gisteravond, zoals men pleegt te doen, nog even plassen voor het slapen. Ik keek op en zag wat strepen licht. Ik riep Liel erbij om even mee te kijken en vervolgens kregen we een half uur durende show van moeder Natuur voorgeschoteld van onovertroffen en onvergetelijke schoonheid. De geheel niet mislukte foto's doen geen recht aan de enormiteit van Noorderlicht in zijn volle glorie; overal boven je ontvouwen zich dansende lichtkastelen, je weet nauwelijks waar je kijken moet. Duizelingwekkend, majestueus, overweldigend - superlatieven schieten te kort. 

Aanstaande vrijdagochtend om 07 uur (boarden vanaf 05u30, inchecken vóór 06u30) vaart onze ferry (Ik kan zo gauw geen naam vinden, wellicht is het de HMS Bookingbekreftelse??) in drie uur tijd vanaf Moskenes, de zuidwestpunt van de Lofoten, naar Bodo met een streepje door de tweede o (ø). Dan zijn we terug op het vasteland en hebben we een kleine week om terug te reizen naar Götenborg Ferry Terminal. Tot vrijdag draaien we rondjes tussen de fjorden en de pittoreske vissersdorpjes, hopend op beter weer dan vandaag - overigens de eerste echte regendag van de afgelopen 18 dagen. De verwachtingen zijn gunstig en ook de Aurora app zegt dat het qua Noorderlicht nog niet afgelopen is. Reken er evenwel maar niet op dat ik opnieuw tot half twee blauwbekkend sta te fotograferen om jullie een beetje te behagen - kom zelf maar hier naar toe. Ik kan het aanraden.


woensdag 9 september 2020

Zweden dus.

 Door de overheid gedwongen zijn we hals over kop naar het Noorden gevlucht. Althans, zo voelt het soms. De Corona-sluitingen van alles waar we naar toe wilden - Schotland tot twee keer toe, de Spaanse Pyreneeën,  grote lappen Frankrijk - dwongen ons tot radicale stappen. De avond vóór we vertrokken hebben we Frankrijk geschrapt en een ticket op de veerboot naar Zuid-Zweden geboekt. Vanaf toen werd het een bijna koortsachtige beweging noordwaarts. Steeds verder onze grenzen verleggend, stoïcijns door de onafzienbare bossen trekkend, letterlijke en figuurlijke grenzen passerend trekken we richting Noordpool.

De Poolcirkel hebben we al gehad, die ligt al weer zo'n 80 kilometer ten zuiden van ons. Dat merken we het is bijna drie kwartier eerder donker dan in Nederland en bij blauwe luchten en stralende zon komt de temperatuur heus niet meer boven de 19 graden. 's Nachts wordt het nu buiten minder dan 5 graden en bij helder weer, zoals voorspeld wordt voor de komende nachten, zitten we al gauw tegen het vriespunt aan. Er zit een bijkomend voordeel aan: heldere nachten maken de kans op Noorderlicht wel een stuk groter. Er blijkt een app voor te zijn, het zal jullie nauwelijks verbazen. 

Zweeds is de taal waarvan je niet wist dat je hem kunt lezen. Verstaan is een heel ander verhaal - los van het feit dat de lokale dialecten dermate verschillen dat Noord- en Zuid-Zweden elkaar nauwelijks verstaan.  Er spookt evenwel een crossover van ons Limburgse dialect en Nederlands door het geschreven Zweeds heen - wanneer je de woorden hardop uitspreekt, op zijn Limburgs, worden ze ineens begrijpelijk. Dat kan trouwens ook flink de plank misslaan opleveren. 

Zweden is een uitermate saai land. Doordat het vrij vlak is en er nogal wat bomen staan zie je maar weinig van wat en onafzienbare zee van wouden en meren moet zijn. De begroeiing is zó dicht dat je tien meter langs de rand van een meer rijdt en door de vegetatie er geen fluit van ziet. Had ik al gezegd dat er veel bomen staan? 

De vergelijking met de VS dringt zich op - vooral de afstanden spreken tot de verbeelding. Als je de kaart erbij pakt zie je dat het een langgerekt land is en dat het een eind tot bovenaan is, daar hoef je geen aardrijkskundige (?) of cartograaf voor te zijn. Diezelfde kaart gaat meer leven wanneer je kijkt naar het eindje tussen Malmö en Stockholm, in het zuiden. Wat daartussen ligt is een groene hel van 600 kilometer, vrijwel onafgebroken rechtdoor. En dan ben je op een kwart van het land. 

Langs de Botnische golf trek je naar het Noorden, aan de overkant komt Finland steeds dichterbij. De zee is kalm - enkel bij storm slaan er echt golven op de kust, het is een binnenzee met vrijwel geen eb - en dus ook geen vloed, ten overvloede (pun intended). Het landschap kabbelt voort, net als de kilometers. De groene hel bestaat uit naaldbomen en berkenbomen. Ik snap wel dat Ikea Zweeds is - de grondstof komt letterlijk uit de bosbodem schieten. 

De huizen staan langs de weg, met wisselende onderlinge afstanden. De ene keer is het duidelijk waar het bebouwde kom is, de andere keer is het raden. De huizen zijn allemaal baksteenrood. Allemaal. Dezelfde kleur baksteenrood. Precies dezelfde kleur. Allemaal. Nou ja, vrijwel allemaal. De écht duurdere huizen zijn wel eens grijs of wit. Ze zijn wel echt allemaal van hout. Ze hebben een witte bies en zijn over het algemeen goed onderhouden. Soms staat er een houten bouwval op hetzelfde terrein als een blinkend mooi (baksteenrood) huis met strak gazon en vrolijk kleurrijk molentje op het gras. 

Die bouwval, dat blijkt het oude huis. Ze bouwen gewoon een nieuw huis wanneer het vorige versleten is. Plek zát. Zo veel, dat afbreken de moeite niet is. Gewoon laten staan tot het in elkaar lazert en dan de fik erin op Midsommer Nacht. 

Als er meerdere bouwvallen op één terrein staan, wordt de sfeer meer hillbillie. Tien tegen één dat er dan ook een stuk of wat autowrakken staan, een kapotte sneeuwmobiel (aantal neemt toe per breedtegraad) en diverse oude troep. Houtstapels, kozijnen met kapotte ruiten, tractors zonder banden, noem het maar op. De staat van onderhoud van de huizen en schuren die wél in gebruik zij laat ook evident te wensen over. Likje verf, spijkertje, nieuw glas zou geen overbodige investering zijn, zeg maar. Het gras is lang geleden al verworden tot een knollenveld. 

We hebben veel verschillende plekken gevonden om te overnachten. Aan jachthavens verbonden camperplaatsen, zomaar in het bos, een truckstop met meer dan uitstekende sanitaire voorzieningen, aan een strandje. Per ongeluk op particulier terrein (wie verwacht er nu dat een aardige oude dame bij een verlaten onderkomen oud vissershaventje komt vragen wat je in haar haven doet?).  We mochten blijven. 

Opmerkelijk is de dekking - we hebben overal 4G, soms even 3G, maar meestal gewoon bereik en snel internet, tot mijn verbazing. Ik word oud, maar ik mis de romantiek van écht weg zijn van de wereld wel een beetje.

Over de muggen hier is al veel gezegd en geschreven. Het meeste leek me overdreven flauwekul. Ze zijn  dik en traag, je slaat ze zó dood. Behalve de ninja-variant, dan. Ik ben vannacht, sorry voor het beeld, dwars door mijn onderbroek én joggingbroek centraal in mijn rechterbil gestoken. Nu heb ik er drie. Billen, dan.

Je komt steeds minder auto's tegen, op weg naar nergens. Het zomertoeristen-seizoen zit er op - diverse campings zijn al gesloten - en de wintertoeristen komen nog en dan niet met de auto. Er valt hier zometeen eind oktober een meter of anderhalf sneeuw en dan lullen we nergens meer over. Op het industrieterrein waar we vandaag reden was het een drukte van belang. De jaarlijkse grote beurt voor de sneeuwscooters moet immers ook gebeuren. Hillbillies te over. De Volvo-dealer en de Snowcat-garage delen de cliëntele. 

Over die Volvo's gesproken. Gezien de bevolkingsdichtheid van dit land is het wiskundig niet mogelijk dat er minder dan één Volvo per hoofd van de bevolking rondrijdt dan wel op een Hillbillie-farm staat te rotten. Djiezus, wát een hoop Volvo's. Ik heb zitten tellen - soms een half uur niks dan Volvo's en vrachtwagens (ook van Volvo).

We rijen langzaam de herfst in nu. De kleur van de berkenbladeren verandert met elke kilometer naar de kou. We zitten nu op oranje, bruin, en soms nog wat geel. Tweehonderd kilometer naar het zuiden was het vooral geel. Nu komen de eerste rode bladeren in zicht - het kleurenfeest staat op het punt van uitbreken. 

We trekken verder - we moeten wel. De omgeving hier, nu ruimschoots in Lapland, wordt wat heuvelachtiger maar nog niet erg adembenemend - en voor minder doe ik het niet. In tegenstelling tot eerdere berichten gaan we tóch een poging wagen om Noorwegen min of meer illegaal te betreden. Mag het niet, ook goed. Morgen eerst maar eens de bergen in hier; Sarek Nationaal Park ligt aan onze voeten. Dan verder naar het Noorden, vanaf vrijdag zijn we in Kiruna en dan gaan we dit weekend proberen de Noren te foppen. De weersverwachtingen zijn  meer dan schitterend. Ik weet het, dankzij Ziggo - jullie krijgen een geweldige Indian Summer de komende week. Veel plezier daarmee - wij hebben een Sami Summer.

maandag 15 juli 2019

La Lingua del Cane


De kleuren van de  overal aanhoudend bloeiende oleanders zijn het meest opmerkelijke en herkenbare aspect van de omgeving hier. Van oogverblindend wit via zachtroze naar scharlakenrood, alle varianten, in enorme struiken, overal. De grijsgroene cactussen vormen hier en daar ondoordringbare muren, druppelvormige bladen zo groot als een flinke braadpan en zo dik als een boek, vaak met veel minder stekels dan je zou verwachten. De oude bladen waarop de nieuwe groeien verhouten en zijn steenhard. We hebben een paar cactusbloemen gezien, de meeste staan nog niet in bloei.
De agaves zijn meer dan een meter in doorsnee, in alle varianten geelgroen. Sommige agaves bloeien wél, ze hebben een metershoge groene stengel waarbij de bloemen als een soort van buitenaardse antenne om zichzelf heen draaien. Palmen zijn er in alle soorten en maten, van struikachtige lage varianten tot heel hoge, met dikke stammen. 

Tussen de vegetatie door schieten overal groen en bruine hagedisjes door, over de weg, in de berm, onder de struiken. Ze zijn niet zo groot maar hun staart is even lang als hun lijf. Het is moeilijk ze goed te bekijken maar soms zit er een in de zon, die zich onbespied waant. We zijn op de eerste dag een schildpad tegengekomen die op zijn dooie gemak een bloedhete brede weg overstak - gelukkig geen verkeer te bekennen.
Je hoort overal sprinkhanen, het sfeervolle geluid van de subtropen, maar je ziet ze nauwelijks. Af en toe in het dorre gele gras lopend stuift er een wolk op maar van de plaag die hier aan de gang zou zijn hebben we nog niets gezien. 
Er zijn veel vogels, in alle maten en soorten. Roofvogels, onbehoorlijk groot, zweven boven de wegen en de rotsen. De flamingo's die we vandaag zagen waren een hoogtepunt; als door een grote hand achteloos uitgestrooid stonden ze in de ondiepe wateren westelijk van Cagliari. Morgen gaan we naar de zoutvelden in het oosten, daar zitten er veel meer, ik hoop mooie foto's te kunnen maken daar.
Cultuurbeesten zijn er niet zo veel. Hier en daar een handvol geiten en schapen die op geiten lijken. Meer rundvee dan ik had verwacht. Ik zie dit soort eilanden toch vooral vol met schapen, maar aan de westkust in ieder geval hebben we flinke rundveebedrijven gezien, met in de wei soms indrukwekkende en goedverzorgde, fraaie stieren. Huisdieren zie je ook niet zo veel. Een kat hier en daar, soms heeft iemand een hond - maar echt beduidend minder dan in Nederland.
De omgeving is moeilijk in woorden te vangen. De westkust, die we nu achter ons laten, is een aanhoudend haasje-over van prachtige baaien en dorpen aan zee met meteen hoge en woeste heuvelgebieden. Je rijdt het dorp uit en de pas begint; tien minuten later ben je zeshonderd meter boven zeeniveau en begint de afdaling naar het volgende kustdorp weer. Je legt hemelsbreed zes kilometer af en maakt 1200 hoogtemeters. De rotspartijen en heuvels zijn grimmig, rauw en indrukwekkend; de wegen eisen aandacht, met steile klimmen, scherpe bochten en geschifte locals die met een rotvaart rondscheuren. De rotsen hebben alle kleuren van bruin tot oud-rose, grijsgroen tot rood en bijna zwart.
Je wordt beloond met onwaarschijnlijke uitzichten, fraaie binnenmeertjes maar vooral toch steeds weer de magische zee, in alle mogelijke en onmogelijke kleuren azuurblauw, ademend, levend, steeds nieuw, nooit saai.
De wind is wispelturig, zowel qua kracht als qua richting. Het kan een onverwacht briesje zijn op het heetst van de dag, waar je naar snakte zonder het te weten en dat dan plots een verkoelende opluchting blijkt. Het kan plots zó hard waaien dat de golven van de meren en baaien flink opgestuwd worden, er schuimkoppen op staan - om even later weer bladstil te liggen, waardoor de hitte weer spijkerhard toeslaat en je tempo halveert. En je desondanks dermate overvloedig transpireert dat drie liter water per dag geen overbodige luxe blijkt. Op dit moment neem ik op de heetste dagen mineralensupplementen omdat ik hoofdpijn krijg als ik mijn verlies met enkel water aanvul. Dit is geen vergeeflijke omgeving.
De wegen zijn stoffig en versleten. Álles is versleten, je ziet weinig nieuwe dingen.  Ik geloof niet dat ik al één modern ding gezien heb - nou ja, de nieuwe Jaguar MPV reed vandaag door de stad hier. Gebouwen, straatmeubilair, muren, trappen, pleinen - alles is oud, stoffig, versleten. De verkeersborden zijn zó door de zon geblakerd dat je de getallen soms niet meer ziet - en dan staat er dus een "verboden voor alle verkeer" rond wit bord met rode rand plots midden in het niks langs de weg. Bij nadere bestudering blijkt er ooit "70" op gestaan te hebben. 
Die wegen, ze zijn ook betrekkelijk. Doorgaande wegen veranderen in kilometerslange onverharde wegdelen - het navigatiesysteem geeft zakelijk aan dat je niet harder dan 90 mag waar je met de camper dan dus ongeveer 15 kilometer per uur haalt. Als je tenminste heelhuids door de ruscello Rosso, de lokale rivier, en de verderop gelegen tweede beek waar ik de naam niet meer van weet, gereden bent. Eeen vierwiel aangedreven camper is niet écht overbodig hier. 
De stoepen zijn verzakt, zebrapaden zijn weggesleten, de wegen brokkelig, het onderhoud is een patchwork van reparaties, steeds een nieuw lapje op een nieuwe beschadiging. Huizen en fabrieken staan leeg, staan langzaam tot stof te vergaan. De huizen zijn dan vaak projecten waaraan wel begonnen is maar het geld was zeker op of zo - er staat enkel een casco. De fabrieken zijn failliet gegaan en verlaten, niemand sloopt hier iets, het wordt gewoon aan zijn lot overgelaten.
De kleuren van de huizen zijn prachtig, zandkleuren, aardekleuren, soms pasteltinten, blauw en geel en groen en oranje, met pleisterwerk dat er authentiek vanaf aan het donderen is. De dorpen liggen er vreedzaam en stil bij als we passeren - we hebben airco in de cabine dus we reizen vaak op het heetst van de dag, als iedereen zich terugtrekt in de koelte van die gepleisterde dikwandige woningen.

De taal is voor mij een echo van woorden die ik denk te herkennen. Medische termen komen uit het Latijn, daar ken ik er wel een paar van. Ik spreek Frans, Engels en Duits. Aan Duits heb je qua associaties niets (net als Nederlands, de herkenbare woorden zijn altijd import) maar Frans en Engels, samen met mijn ziekenhuislatijn, maken dat ik veelal dingen herken en grofweg weet waarover het gaat. Mits het tempo laag ligt. De echo's zijn evenwel spoken, de woorden kloppen maar deels. Een oude man sprak me aan toen we door Oristano liepen, wijzend naar de hond, sprekend over La Lingua Del Cane (vast grammatikaal niet helemaal goed, maar u begrijpt me, beste lezer). Ik dacht dat de mant toch niet helemaal goed snik was; hoezo, de taal van de hond? Linguistiek, de kennis van taal, en Language, de Engelse term voor taal, ik dacht toch zeker te weten dat hij wat in de war moest zijn. 
Later begreep ik het pas. La Lingua: De tong - die inderdaad indrukwekkend naar buiten hing, hijgend van de hitte. Associatie is misschien toch niet altijd de makkelijkste manier om een taal te interpreteren.



maandag 8 juli 2019

Sardinië, zomer 2019, deel 1. Italië is geen Europa.

We zijn, voor het eerst sinds mensenheugenis, weer aan onszelf overgeleverd. Geen  gejengel, geen puberaal gezanik, niet strontvervelend want dan-weer-ziek-en-dan-weer-moe, geen gekmakende en niet te honoreren wensen, nul kinderachtige tegenstrijdige belangen, zonder onredelijk gemier, niks van dat alles. 
Tenminste, als ik me een beetje inhoud. 
Ik kan in ieder geval de kinderen de schuld niet geven; voor het eerst sinds april 1996 zijn we weer met zijn tweeën écht op reis. Drie-en-twintig jaar geleden vlogen we, al zwanger van wat Matilde zou worden, naar Mallorca, denkend dat we beseften wat dat betekende.  De laatste keer zonder kinderen op vakantie. Ik kan u vertellen, geachte lezer, dat we geen idee hadden van de gevolgen van het krijgen van kinderen; dat handboek wordt pas uitgereikt wanneer het te laat is om op je schreden terug te keren. 
Na een half jaar achtbaan - ik heb niet zo maar een nieuwe baan, ik heb een achtbaan - werd het tijd voor wat afstand, rust en relativering. De afstand is vrij letterlijk, niet dat we aan de andere kant van de wereld zitten maar het is een tijdrovende bezigheid, met de camper op Sardinië verzeild zien te raken. 

Over die eerste week, geachte lezer, wil ik het nu met u hebben. De reis, voorspoedig als zelden tevoren - er ging niks stuk dat niet thuis al stuk was - is de bespreking niet echt waard. Beaune was prima, het eer was heet, de camperplaats bij Lac de Cenise was net zo mooi als de eerste keer dat we er waren (2013, dat lijkt honderd jaar geleden, na wat we in de voorbije vijf jaren meegemaakt hebben) en de tocht naar de Bloemenrivièra was óók al incidentloos. 
Ik heb mijn oude notities er nog eens op nagekeken. Italianen spreken nog steeds enkel Italiaans. Ook de jeugd, sprak Methusalem, is ééntalig. Waar een paar jaar geleden er een vriendelijke en wat verontschuldigende reactie was - sorry, ik spreek enkel Italiaans, maar kan ik u helpen? - is er een nare  nationalistische reactie ingeslopen die ik eng vind. Er zit een mate van trots en neerbuigendheid in. No. Solo Italiano. Of, nog iets expliciteer, No, solo Italiano, we zijn hier in Italië en je spreekt maar Italiaans. Die speech kreeg ik  (in het Italiaans, dus ik parafraseer - zo goed is mijn Italiaans niet...) van een geüniformeerde verkeersmedewerker in Genua, die de weg stond te wijzen voor een overheidsgebouw, aan de mensen die de ferry's op moeten naar Corsica, Sicilië en Genua. Vast niet allemaal solo Italiano. 
Ze zijn er dus inmiddels trots op dat ze geen woord over de grens spreken. Het gaat zo ver dat zelfs rudimentaire woorden niet begrepen worden - ik vroeg om "water" (Engels) bij een festival aan de bar en kreeg een blik vol onbegrip. Toen ik vroeg of iemand Engels, F rans of Duits sprak (Nederlands laat ik maar even thuis) in die diverse talen, begreep van een groep van zes mensen niemand zelfs maar waar ik het over had. Solo Italiano in het kwadraat.
Dat maakt het bezoek aan de s'Ardia, de paardenrace waarvan ik al foto's postte, bijvoorbeeld tot maar een halve ervaring. In plaats van de gelegenheid om je te mengen tussen de plaatselijke bevolking, je bewondering uit te spreken en samen een biertje te drinken, ben je een opzichtige indringer, kun je niet aanschuiven en zelfs maar een praatje over het weer maken. En dan spreek je vier talen. In Europa. Solo Italiano. Er waren overigens bijna geen toeristen - nou ja, wel locals uit Turijn en zo. Solo Italiano.
Opmerkelijk incident: twéé tankstations achter elkaar weigerden zowel mijn creditcard (Mastercard, niet zo bekend?) én mijn  ING bankpas. De goorste kleine  negorij in Albanië, horror-tankstations in Kosovo vol kogelgaten, vijandige bejaarden met jachtgeweren die miniatuurpompen in de binnenlanden van Kroatië bemannen; Mastercard: No Problem! Twaalf-pomps A-merk tankstation bij Savona: Non Acceptariori Carte. Of zo. Solo Italiano.
Italianen  hebben, zo blijkt, wel wat last van nogal opzichtige gezagsproblemen. Zodra iemand ze aanwijzingen geeft, al is het Berlusconi zelf, gaan ze onmiddellijk in de contramine. Zeg links en ze willen rechts.  Ze parkeren waar het niet mag, laten we niet praten over inhalen en doorgetrokken strepen. Goedbedoelende vrijwilligers bij festivals worden uitgescholden, bijna aangereden, met de dood bedreigd, wanneer ze aangeven dat er verderop plek is. Bemoei je er niet mee! Ik heb twee jaar geleden in mijn blog de Griekse bloedgroep op de ferry van Ancona naar Igomenitsa de schuld gegeven van de kakafonie van meningen, de chaos van het inchecken en de puinhoop van tegenstrijdige borden en instructies.
Geachte Grieken, het spijt me. Diep. Mea Culpa. Op de ferry van Genua naar Sardinië is er sprake van solo Italiano; de puinhoop was er niet minder om. Het ligt dus, is de conclusie, niet aan de Grieken. 
Genua, aanrijdend naar de ferry, is al een levensgevaarlijke chaos van scooterrijders met een actieve doodswens en homocidale chauffeurs van vrachtwagens en bussen. Het ferryterrein wordt niet aangegeven. Als je er dan per ongeluk toch op beland bent moet je de route naar de uitgang - heus - volgen om bij je boot te komen. Dat heb je niet zo snel door. Niemand kan je even helpen. Solo Italiano, ook de bordjes met aanwijzingen. Op een internationale ferryterminal. 
Het boarden gaat, net als in Frankrijk, met onsympathiek toegeblafte instructies. Solo Italiano. Die door de volgende bootwerker dan weer als argument gebruikt worden om je nog nét niet uit je cabine te trekken, hoe háál je het in je hoofd?
Nou heb ik daar niet zoveel ontzag meer voor, we hebben nu zoveel veerboten gehad dat ik wel weet wat er van me verwacht wordt en naar wie ik wel en niet luisteren moet. De arme, wit wegtrekkende ferry-debutanten met gehuurde campers of erger, auto-caravan combi's, vol jengelde, oververhitte en doodvermoeide kinderen, plakkend van snoep en ijs, worden tegen Kerst nog steeds badend in het zweet wakker van breedgeschouderde volgetatoeëerde bootwerkers die "BASTARDO!!" schreeuwen als ze precies de instructie van de vorige bootwerker, 30 meter geleden, uitvoeren. Je haalt ze er 's avonds zó uit; het zijn de schokschouderende, snikkende mannen die trillend bij de bovenste reling van het schip staan te overwegen of ze er overheen stappen of niet. Want ze moeten ook weer terug, bij nadere bestudering van de kaart blijkt Sardinië een eiland.
Opzichtig open deur: het is hier bloedheet. Blijkbaar heter dan anders, zelfs de locals lopen te puffen. Achtendertig graden in het binnenland - we zijn blij weer aan de kust terug te zijn en vandaag was een rustdag, in alle opzichten. Dure camping, zwembad, fikse stroom dus camper-airco. Binnen een steenkoude 24 graden, zodoende uitgeslapen tot kwart vóór elf, wat voor mij een onwaarschijnlijke prestatie is tegenwoordig. Verder een wat bewolkte dag, waardoor het maar nét 32 graden werd.  De was gedaan, de koelkast gepoetst - die heeft het knap moeilijk, op gas doet 'ie het maar zeer matig. De vriezer werkt wel prima dus we gooien alle drankjes in de vriezer zodat we ze kunnen kauwen. 
Morgen gaan we Oristano verkennen. En dan verder zuidwaarts, dag of twee, drie wild kamperen - je kunt hier nog prima op plekken komen waar zelfs het telefoonsignaal afwezig is dus het kan best weer even stil zijn. Next major stop wordt Caglairi, waar ik zeer naar uit zie. Nog 100 km meer richting Afrika, het kan hooguit heter worden.


Tenslotte, and now, for something completely different: nog even terugkomen op mijn vorige blog. Er moet me, gezien enkele in mijn ogen onbegrijpelijke reacties, toch iets van het hart. De fijne en aardige reacties, vol waardering, plezier en steun, waren zeer ruimschoots in de meerderheid, dat moet ik vooral ook niet vergeten te vermelden.

Het idee achter dit blog is de verschijning van onregelmatige publicaties van zaken uit míjn leven en dat van ons gezin, naar ik hoop met ironie en zelfreflectie geschreven, met een grote willekeur van themakeuze - het is immers míjn blog. Ik deel het graag, ik vind het fijn als veel mensen het lezen - en als het je niet bevalt, even goede vrienden, lees het dan niet. Het is in ieder geval niet de bedoeling dat het allemaal al te serieus genomen wordt, ik neem mezelf niet eens serieus. Privé opinie en zo.

De wereld is een ingewikkelde plek. Er zijn regelmatig momenten dat ik weet wat voor bespottelijk plekje niks ik ben in het geheel van tijd en ruimte; even later daarentegen ben ik ook in staat om hartstochtelijk boos te worden over iets vreselijk onbenulligs. Vooral in de auto. Niets menselijks is mij vreemd.
Het is belangrijk dat je stelling neemt, dat je principes hebt, dat je keuzes maakt en daar consequenties aan verbindt. Daar staat tegenover dat het ook belangrijk is om te relativeren, dat je zaken moet proberen in te schatten op relevantie en urgentie en dat je jezelf vooral niet al te serieus moet nemen.
Ach, het leven gaat verder. Zie niet alleen narigheid en doem in dingen. Heb elkander lief. Geloof in de goede intenties van andere mensen, ook al maakt het leven je soms wat wantrouwig. 









zondag 18 november 2018

Fake News - dilemma's rondom Tribute Bands

Zo was ik onlangs in het Forum in Sittard. Het was al zeker twintig jaar geleden dat ik dat pand betrad - toen was het nog een slechte oude bioscoop met beschimmelde piepende klapstoelen en een penetrante keldergeur. Het heeft jaren leeggestaan. Een paar jaar geleden is het opgeknapt en is er een medium size zaal-met-podium van gemaakt. Geheel niet onverdienstelijk; het balkon boven is in ere gehouden, de zaal is mooi, het podium ruim en de ventilatie adequaat.
Het geluid evenwel is ronduit - excusez le mot - kut. Aanvankelijk gaven we onze plek, achterin de zal onder het balkon, nog de schuld van het abominabele geluid maar voorin, en dan bedoel ik écht voorin, was het eveneens bar en boos. De audiomeneer dacht het probleem gedurende de avond op te kunnen lossen door het volume op te krikken. Dat is een oude truc, meestal helpt het wel wat. Nu echter niet. Ik ben kort voor het einde van het concert, met bloedende oren, om erger te voorkomen (!), het pand ontvlucht. We waren niet in staat om ons gezelschap in te lichten - het was zó krijsend luid dat zelfs in het oor schreeuwen van best aardige mensen volstrekt zinloos bleek. De volgende dag werd gekenmerkt door aanhoudend gonzen, brommen, watten-in-oren-sensatie en maar langzaam afnemend piepen in het hoofd. Fijn, zo'n avondje uit. 

Dus dat was dat. Over de inhoud  hebben we het nog niet gehad, en dat moet toch heus ook even gebeuren. Het was Tribute Night. De Best U2 Cover Band In The World stond op het program. Als voorspel werden we opgewarmd door een adequaat kloon-bandje dat nummers van Coldplay ten gehore bracht, The Scientist.
Coldplay heeft me maar zelden écht kunnen raken. Heus wel goed, die liedjes, en fraai gearrangeerd en zo. Maar mijn kopje thee is het niet. Gebrek aan pissigheid en spontaniteit, overgeproduceerd en bedacht, niet vinnig of spontaan.

Dat gezegd hebbende, je hoort de kwaliteit van een band pas als je een tribute band van het cruise-schipniveau de nummers van die band uit hoort voeren. Wat bij Coldplay draaglijke soft-pop met een fijn up-tempo optimisme is, wordt door zo'n kermisband ineens teruggebracht tot slecht verteerbare zeikliedjes, weliswaar duidelijk herkenbaar maar even duidelijk niet goed. Wat is dat nou? De vraag is met een hypothese te beantwoorden. Zouden die liedjes, die de hele wereld nu kent, een hit zijn geweest wanneer ze aan het brein van The Scientist waren ontsproten en door hen op plaat vereeuwigd was? 
Kort antwoord: Nee. 
De scherpte van de arrangementen, de oprechtheid van de uitvoering, de precisie van topmuzikanten; dat verschil is onoverbrugbaar. Niet dat het slecht uitgevoerd of ongeïnspireerd was, men deed zijn best. Maar nee, het was niet goed. Het leek af en toe wel. Een beetje.

Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon, tekst
Het hoogtepunt van de avond moest dan ook komen van L.A. Vation, een professionele coverband - op zijn Amerikaans natuurlijk The Best In The World - die het repertoire van U2 vertolkt. De gitarist lijkt op de foto wel een beetje op the Edge. In werkelijkheid evenwel moet ik toch echt de hele tijd aan Joe Pesci met een mutsje op denken. FaggettAbooutIt.

De bassist en de drummer doen niet eens een beetje hun best om op hun evenknie te lijken, de bassist zou qua haar zo bij Kajagoogoo ontsnapt kunnen zijn. Wat opvalt is dat alle drie de frontmannen - van de drummer was het moeilijk te beoordelen - niet boven de, zeg, anderhalve meter uitkwamen. 
De zanger lijkt uiterlijk niet echt op de zoon van God (Bono dus) maar vangt dat uitstekend op met de juiste attitude, pose, arrogantie en stem. Vooral stem. God, wat lijkt dat goed op Bono. Zeker gezien het feit dat het een Amerikaan is - L.A.Vation, uit Los Angeles - weet hij intonatie, Iers Engels, zangstem en pathos zeer, zeer goed te benaderen. Zonnebril drop, klaar.

Buiten het slechte geluid - te beginnen het halve eerste nummer zonder zang, omdat de schuif van de microfoon blijkbaar kwijt was - klonk het goed, écht goed. Prima muzikanten, zichtbaar plezier, absolute professionals. 

Was dat het? Heb je niks te zeiken, Omvlee? Wat was er deze keer weer niet goed?
Nou, dat zal ik jullie eens haarfijn uitleggen. 
Al na twee of drie nummers gleden mijn gedachten weg naar filosofische beslommeringen over wat écht en wat nep is. Ik stond twee meter bij een overtuigende Bono vandaan, enkele van de beste liedjes ooit gemaakt werden werden prima uitgevoerd, het bier smaakte uitstekend. En het deed me niks. Ware het écht U2, dan had ik stijf van de stress, met betraand gezicht, overmand door emoties aan dat podium gestaan en aan 's mans lippen gehangen.

Ben ik nou een snob, een verwend nest? Wil ik per se een rolex, waar een casio ook prima de tijd kan aanwijzen? 

Dat vroeg ik me dus ook af. Het antwoord kwam van de band zelf. Ze zetten namelijk Sunday Bloody Sunday in. En toen begonnen de dingen op hun plek te vallen. 
Ik vind dat Sunday gedoe helemaal niet zo'n geweldig nummer. De snerpende gitaartjes, sirenes bij het lijden van de Ieren die omkwamen bij het geweld van het Engelse leger, zijn wél een symbool voor de Noord-Ierse volksopstand geworden. Het lied beschrijft de onrechtvaardigheid en zinloosheid van het geweld tegen de burgerbevolking. Het is geschreven door 4 jongens uit Ierland, die familie en vrienden verloren aan de wederzijdse gewelddadigheden tussen IRA en het Engelse leger. 

En daar begint de schoen te wringen. L.A. Vation bestaat uit vier carrière-muzikanten uit Los Angeles, die niks te maken hebben met de boodschap van dat liedje, die het enkel om commerciële redenen vertolken, die geen echt inhoudelijke band hebben met het verhaal erachter. 
Als om dat nog eens te benadrukken besloot Fake-Bono om een Limburgse, ik herhaal LIMBURGSE, vlag om de schouders te draperen en Freedom! dingen te gaan roepen. Toen was het klaar. 
Ik zou als tribute band dat liedje niet eens aandurven; het hoort niet, daar blijf je van af, je hebt geen recht van spreken. Als je het dan ook nog eens misbruiken gaat om plat de zaal te pleasen - de Limburgse vlag werd met gejuich ontvangen, waar stilte of BOE! veel meer op zijn plaats was geweest- verdien je deze review. Ga je ergens in een stil hoekje buitengewoon diep schamen, Fake Bono.

De rest van de avond heb ik overigens best genoten van wat briljante Edge riffjes, prima door Joe Pesci gespeeld. Opverend in momenten van herkenning, tussendoor mijmerend over de impact die The Joshua Tree en Achtung Baby op me hadden toen ze uitkwamen. Hoe verpletterd ik was door de brille van Real Bono cum suis, door de geniale componisten en arrangeurs die deze mensen zijn en hoe inadequaat een prima coverband is om die emoties wakker te schudden. Als je muziek van zúlke importantie naspeelt, sta je niet op de schouders van reuzen, je bent soundmixshow aan het spelen.

Volgend jaar komt L.A. Vation weer, ik kan tickets met korting krijgen! 

Dacht het niet.



dinsdag 6 november 2018

Happy Birthday To Me

Afbeeldingsresultaat voor new job
Wat brengt je nieuwe inzichten,  spanning, onzekerheid, uitdaging, variatie, nieuwe mensen, opwinding? Wat is, kortom, een hoop gedoe maar schijnt de moeite waard te zijn? Verandering dus. Ik hoop dat er - "as we speak" - in Amerika een mooi presentje voor mijn verjaardag bij elkaar gestemd wordt Change! Yes, We Can! Maar dat geheel  terzijde.

Bijna vier jaar geleden liet ik de Intensive Care achter me. Genoeg van de techniek, de hectiek en de diensten die me steeds zwaarder vielen. Meer tijd om aan de aanhoudend ingewikkelde thuissituatie kunnen besteden, minder weekenden werken. En, niet te vergeten, een nieuwe opdracht, een nieuw plan.

Ik mocht in een veeleisende omgeving  helpen bouwen aan een groeiend team. Daarmee zou ik de  fundering helpen leggen voor verdere kwaliteitsverbetering op de chirurgische afdelingen in de kliniek. En een boel onderwijs geven. Met hetzelfde doel. Dat leek me wel wat. 

Veel is goed gegaan. Op de afdeling Chirurgie krioelt het van de inspirerende, zeer gemotiveerde, hardwerkende en intelligente verpleegkundigen met hart voor de zaak én een stevige portie vakkennis. Leergierig, ambitieus, gedreven. Ik kan niet genoeg benadrukken wat een feest het was om met ze te werken, om te zien hoe goed feedback werd opgepakt, om te merken hoeveel onderwijs er in handelen werd omgezet. En hoeveel lol we hebben gehad en hoeveel goeds we voor onze patiënten voor elkaar hebben gekregen. 

Ik werd ook omringd door óók al heel hardwerkende arts-assistenten; als je het over gedreven hebt, dan heb je het over deze groep. Spijkerhard veel te veel uren werkend, altijd goedgemutst, steeds klaarstaand voor elkaar, samen studeren, werken, vechten en feesten. Al high-fivend en chestbumpend door het leven, dat werk.  Ik wil wel geopereerd worden, mocht dat ooit nodig zijn, door één van dat zootje ongeregeld. Helden zijn het. Knettergek ook, maar da's weer een ander verhaal. What happened in Austria, stays in Austria. (Gelukkig heb ik de foto's nog).

Ik maakte tijdens mijn sollicitatie de grap dat ik al bijna vijftien jaar op de IC deed alsof ik verstand had van Chirurgie en dat ik dat nu wel eens écht wilde krijgen. Dat was verontrustend meer waar dan ik toen zelf in de gaten had. Dank, afdeling chirurgie, voor het stevig aanpakken van mijn kennis van zaken op jullie gebied. Het was hard nodig.

Ik wil het Catharinaziekenhuis huldigen voor wat het voor me is geweest. Achttien jaar lang mijn werkgever, een tent om fier op te zijn, een bolwerk van inspiratie, optimisme en kansen. 

Wat is er veel gebeurd in achttien jaar. Enkel al de gebouwen die er staan - van de hoofd-ingang met de daarboven gelegen MC en HCK tot de poliklinieken in het V- en Z-gebouw tot de Psychiatrie en de parkeergarage, het is onvoorstelbaar maar niets van dat alles stond er toen ik begon.
Wat ben ik veel verschuldigd aan dit ziekenhuis. Een verweesde, net gediplomeerde, min-of-meer-IC-verpleegkundige met een véél grotere bek dan inhoudelijk waargemaakt kon worden, dat was ik; een door de wol geverfde, bekwame, veelzijdige en misschien zelfs verstandige Verpleegkundig Specialist bén ik. Dank, dank.

18 jaar. Naar beneden afgeronde getallen: 2880 dagen werken - 420.000 euro (netto!!) salaris. Waar dat allemaal gebleven is? O ja, drie dochters.  En diesel. Veel diesel.
500.000 (ja, heus) vijf-honderd-duizend - kilometer woon-werkverkeer. Bij gemiddeld 80 kilometer per uur - wat je niet haalt, trouwens - 260 dagen en nachten (opnieuw, ja heus) onafgebroken autorijden. Godsamme.

Toen ik begon op de chirurgie was het idee om een centraal team van vier of vijf FTE verpleegkundig specialisten te bouwen dat hoofdverantwoordelijk zou zijn voor de verpleegafdelingen. Ondersteund door AIOS, verantwoording afleggend aan de medisch specialisten, coachend voor ANIOS, co-assistenten en semi-artsen. Ieder een eigen deskundigheidsgebied: Lower GI, vaatchirurgie, bariatrie, enzovoorts. Ieder zijn eigen aandachtsveld: onderwijs, wetenschap, wondzorg, noem maar op. 
Voor dat toekomstbeeld is er evident onvoldoende draagvlak. Ook het opleiden van een "eigen" VS blijkt een brug te ver. Verschillen van visie, verschillende belangen - hoe dan ook, ik zie niet genoeg aanknopingspunten of vorderingen om me gemotiveerd te houden. 


Ik ben te oud om geduld te hebben, de tijd werkt tegen me. Lees die zin nog maar eens na. Als de koers van verschillende professioneel aan elkaar verbonden mensen 180 graden ten opzichte van elkaar is, verandert er niets. Die impasse is volstrekt niet gemakkelijk, maar tegelijk wel vrij eenvoudig, te doorbreken. Bij deze. 

And Now, For Something Completely Different (the larch).

Ik ben een ouwehoer en een leuterneus. Het grootste plezier in mijn afdelingsvisite heb ik in de omgang met bange, verdrietige, onzekere en vertwijfelde mensen. Daar kan ik aardig mee uit de voeten, al zeg ik het zelf. Ik kan ze geruststellen, leren hun situatie te accepteren, aan het lachen maken, een beetje vertrouwen (terug) geven en laten grimlachen. Zoek maar op: grimlachen is heus een woord. Waar ze precies allemaal last van hebben qua ziek zijn, dat wordt langzaam maar zeker steeds meer bijzaak. Na alle techniek, anatomie,  reanimatie, fysiologie, life support en pathologie blijk ik terug waar ik ooit begon: bij de psyche. De wereld van de empathie, vage klachten, zachte diagnostiek, gebrekkig empirisch bewijs, DSM-5, wollige taal, geitenwollen sokken en, o gruwel, kwalitatief onderzoek. 

Hoe dan ook: met ingang van 1 januari 2019 ben ik VS-regiebehandelaar op de PAAZ afdeling van het Zuyderland Ziekenhuis in, jawel, Sittard. Voor wie het niet wist: in een grijs verleden was ik gediplomeerd inrichtingswerker, ik heb (ook, onder andere...) op een gesloten crisisafdeling gewerkt. 
Ik krijg de MPU, Medisch Psychiatrische Unit, en de psychiatrische consulten-functie voor de medische kliniek in mijn takenpakket. Daarnaast mag ik weer onderwijs geven en zo de ontwikkeling van het klinisch redeneren op de PAAZ vormgeven. Kortom, een fraaie cross-over tussen psychiatrie en alles wat ik door de jaren heen aan medische- en onderwijs-bagage opgepikt heb. Een droombaan. 

En ik kan met de fiets. Naar mijn 11 collega-VS en 5 VS-io, die veelal transmuraal, poliklinisch en bij cliënten thuis werken.

In Limburg. Ook dat nog. Tussen de Limbo's. Zie je wel? Al die Limburgers willen uiteindelijk terug naar hun roots. Nou ja, ik heb er 18 jaar over gedaan. Ik ga werken voor het grootste niet-academisch ziekenhuis van Nederland - alweer. Dat was het CZE toen ik er begon namelijk ook. 

Ik heb er zin in. Ik wandel nog een maandje door de vertrouwde gangen in Eindhoven, het contract moet afgerond, de revalidatie voltooid. Carpal Tunnel Stress Fatigue Syndrome zullen we het maar noemen. Verder stik ik in de overuren die nog op moeten, dus rond 1 december is het wel klaar. 

Het zal een weemoedige periode zijn Herfst, afscheid, vallende blaadjes en zo. Voor daarna geldt:

Vaarwel, Catharinaziekenhuis, het waren 18 fantastische jaren. Het ga jullie allemaal goed. En voor iedereen die blij is dat ik opzout heb ik een fraaie oud-Hollandse uitdrukking: bite me.










maandag 30 april 2018

Alledaagse verwikkelingen

Vreugde en verdriet liggen soms heel dicht bij elkaar. Een moment hoeft niet altijd een hoogtepunt in je leven te zijn om je gelukkig te maken; het hoeft niet altijd een wereldschokkende gebeurtenis te zijn om vervuld van verdriet te zijn. 

Een zorgvuldig gekozen glaasje whisky kan soms de perfectie naderen. Het moment van de dag, het type whisky, hoe de smaak valt - daar kun je oprecht stil en gelukkig van zijn. 

Ook gezelschap kan er voor zorgen dat je kort maar krachtig herinnerd wordt aan je fortuin, de mazzel dat je gezond bent en in meerdere opzichten rijk genoeg om mensen blij te maken. Mensen die elkaar nauwelijks of niet kennen een genoeglijke avond bezorgen, onder het genot van de gezamenlijke hobby, een hapje eten, de zon en een heerlijke voorjaarsavond - meer is niet nodig om vreugde te ervaren.

Enkele dagen later afscheid te moeten nemen van je vriend, precies op zijn zestiende verjaardag - in hondenjaren 112 jaar - is een bitterzoete ervaring. Al meer dan een jaar bereid ik me voor op dit onvermijdelijke moment, de dag waarop ik de dierenarts moet bellen dat het wel goed geweest is. Bijna blind, steeds meer écht dan Oostindisch doof en elke dag wat slechter ter been - ach, dat ging allemaal nog net. Nu plots veel dorst en overal piesen - het was klaar, ik moest mijn eervolle belofte nakomen om áltijd een goede baas te zijn.

Bram is thuis, in zijn eigen mand en omringd door het complete gezin, door de dierenarts naar het hondenparadijs verwezen. Het waren zestien geweldige jaren, Bram was twee jaar ouder dan ons jongste kind. Het afscheid viel me zwaarder dan gedacht - alle ratio van de wereld wint het niet van emotie. Ik heb hem in het bos hier vlakbij, waar we heel wat meters gemaakt hebben samen, begraven. 

Ik mis Bram, ook al is hij pas een paar dagen dood, al heel wat langer. Door zijn slijtage was wandelen en met de bal spelen er al lang niet meer bij. Van weeromstuit kom ik zelf te weinig buiten, beweeg ik minder - wandelen zonder hond, dat werkt niet. Dat is dan weer niet goed voor me; somberheid wint, het leven bestaat nog enkel uit werken en slapen, zeker in de winter. Ook fotograferen, onderweg met de hond een heerlijke activiteit, leed er flink onder. 

Ik denk dan ook dat er een paar goedkeurende schelle blafjes uit het hondenparadijs komen. Afgelopen zaterdag heb ik een pup uit een nest Jack Daniels Russell terriërs een reu van 7 weken uitgezocht. 
Hij, onze Teun, blijft nog een weekje of twee bij zijn moeder - niet omdat het moet, maar omdat het kan. Zeven weken, het loopt nog niet eens zo stevig. Het vel is te groot, de brokjes veel werk - melk gaat nog steeds makkelijker.  En dan heb ik óók nog de kleinste  en zachtmoedigste van het stel (lees het grootste watje) uitgezocht. Mag nog wel effe bij mama, dus.
Daarnaast is er de baas, die eerst even twee weken naar Schotland moet, op vakantie. En Teun de Jack kan nog niet mee, want nog niet volledig gevaccineerd. 

Jack Teun zal evenwel volledig gevaccineerd, strak in het vel, stevig ter been, brutaal, dapper en weldoorvoed mee kunnen op zomervakantie naar Wales; in de komende weken heb ik veel tijd om aan de slag te gaan met mijn nieuwe maatje. Ondertussen zit hij goed, op die boerderij in Hulsel, bij de mevrouw met de dierenfreakte en haar bijkans onverstaanbare boer. Een tas koffie moesten we drinken - het werden er meerdere. We kwamen bijna niet weg, we moesten eerst alles horen over alle honden, katten, papegaaien, pony's, van vroeger en nu. En van de geitenstal - en natuurlijk de schapenstal - en de dieren van hun kinderen, niet te vergeten. En toen mochten we weg. Over twee weken halen we Jack Teun op - mochten we vermist raken, dan houden ze ons vast daar, Hulsel dus, tussen Bladel en Lage Mierde, dan komen we er niet weg. 






maandag 19 maart 2018

Marrakech, Marokko, Afrika


 Dit wordt geen makkelijke blog. Om te begrijpen wat ik bedoel moet je 'm heel goed lezen. Als je geen zin in bespiegelingen hebt en alleen maar wat lol wil, ga dan naar www.guustflater.com.  Er valt hier vandaag wellicht wat te lachen maar enkel een hilarisch relaas van leukigheden is het deze keer zeker niet. De verwarring die me overvallen heeft en waar ik veel over nadenk probeer ik eerlijk te beschrijven; enige sociaal-culturele ingewikkeldig-heid is daardoor onvermijdelijk. Mocht je daar geen zin in hebben, even goede vrienden, ga dan nu maar  gauw ophouden met lezen en RTL4 kijken. Zo niet, succes.

Komt'ie.

Het is ondertussen al weer bijna een week geleden dat we terugkwamen uit Afrika. Decadente eerste-werelders als we zijn, gaan we elk jaar in maart even op reis - met als excuus de verjaardag van mijn vrouw en de ondraaglijke lengte van de winter. Formeel zijn we beschaafd, we kiezen afwisselend verre bestemmingen en lokaal, zeg maar binnen autobereik, pittoreske stadjes. Twee jaar geleden New York, USA, vorig jaar Mechelen, BE, dit jaar Marrakech, MAR.

Ik weet niet zo goed waar ik beginnen moet. Ik weet ook nog niet echt wat ik nou eigenlijk vind van de cultuurshock die ik onderging. Het is veel, wat we in zo'n drie-en-een-halve dag voor onze kiezen hebben gekregen. Ik heb hard, lang en veel nagedacht over mijn gevoelens van verontwaardiging, ergernis, frustratie en onmacht. En daar kwam het volgende van.

Begrijp me niet verkeerd, we zijn overvallen noch gestrand, gechanteerd noch bestolen. Geen luchtvaartmaatschappij faalde, geen ambtenaar was onuitstaanbaar. Geen strobreed, geen onvertogen woord, niks mis. We zijn niet onderdrukt of onheus bejegend. We zijn niet opgelicht en niet respectloos benaderd.

Maar toch. Aan pogingen om respectloos te zijn, aan pogingen om ons op te lichten, aan pogingen om ons te bestelen en aan verholen en besmuikte weerzin tegen ons persoonlijk en tegen onze aanwezigheid ontbrak het evenmin. Almaar beleefde en aardige reacties onzerzijds op opdringerige verkoopterreur werd met nóg meer aandrang, en niet met waardering en terughoudendheid, beantwoord. Vriendelijke afwijzing van opdringerigheid werd met nóg meer opdringerigheid beantwoord. Resoluut weigeren van ongevraagde diensten werd met meer dwingend verbaal - en klein fysiek- geweld beantwoord. Duwen, trekken, rammen en drammen. "Een ding zonder vrienden".

Ik weet nu hoe een piñata zich voelt. Een piñata, voor degene die niet weet wat dat is, is zo'n Mexicaans papier-maché ding, vaak een dier, dat vol zit met snoep. Het hangt aan een touwtje in de tuin en het jarige kind moet er - geblinddoekt -  met een stok hard op slaan tot het snoep eruit valt. "Een ding zonder vrienden".

Ik ben dus, zoals de lezer begrijpt, een west-Europese zak met geld. Niet iemand maar iets. Motto van Marrakech: hersenloos (geblinddoekt) met zijn allen op iets in beuken, op die zak, daar valt vanzelf, als je maar stug doorgaat, regelmatig wat geld uit. Blijven meppen, blijven cashen. 

Depersonificatie is geen Europees patent. Wij zijn niet de enigen die alles wat anders is anonimiseert. Wij voelen ons - terecht - schuldig wanneer we over "de" vluchtelingen, Turken, Marokkanen of moslims denken - individuen de stereotype kenmerken van groepen toekennen is niet erg aardig maar ronduit stupide en onbeschaafd. Niemand wil "een ding zonder vrienden" zijn.

Wellicht is de meest onthutsende en confronterende observatie van deze trip dan ook dat anderen dat net zo goed bij mij kunnen doen. Dat anonimiseren, die depersonificatie. Met mij! De hoogontwikkelde, bijzonder goed opgeleide, intelligente, blanke Master Of The Universe!  Ik word ineens, hier, nog geen vier uur vliegen van huis, nogal gedepersonificeerd, zeg maar, als het ware. Het is een schande. En dat vond ik nou net zo'n typische blanke bwana-vaardigheid. Dat depersonificeren. Ik waardeer het allerminst dat, terwijl wij economisch, cultureel en politiek lichtjáren verder ontwikkeld zijn, anderen zichzelf blijkbaar superieur aan mij wagen te voelen. Ik was er nou net zo trots op dat wij op alle fronten gelijk hebben en die anderen ons daarom -terecht- benijden. En nou durven ze mij zomaar als toeristisch vee, als te lossen vracht, als witte pinautomaat, als blanke melkkoe, als klaar voor de slacht en rijp voor de pluk te zien. "Een ding zonder vrienden". En ik ben nog wel zo'n aardige kerel. Als je me de kans geeft, zal ik het bewijzen. 

En hoe ik mijn best ook doe, die perceptie - zak geld, rijke Europeaan - verandert niet. Hé-le-maal niet. Hoe vriendelijk, welbespraakt, meertalig, vergevingsgezind, contactgericht, toegankelijk, politiek-correct, glimlachend, begripvol of sympathiek ik ook probeer te zijn - ik blijf een zak vol geld. 

Ik vond het kut. Ik vond het helemaal niet leuk om hordes mensen na een poosje dan maar te negeren, om iedereen die me aansprak op welk moment dan ook als een piñata-mepper te zien - hoe terecht die attitude ook bleek. Ik verlangde al na één dag, echt waar, naar Engeland - waar "Can I Help You" niet betekent "How Much Will You Pay Me". Ik walg van de opgelegde paranoia, wat moet déze hoofddoek nou weer van me - het niet rustig om je heen kunnen kijken, je zonnebril ophouden want dan zien ze niet waar je naar kijkt - het  was uiterst onaangenaam en vervelend. Niemand die je ongemak erkent, niemand die laat merken dat hij je begrijpt en dat hij aan jouw kant staat. Relentless, zeggen ze in het Engels. Daar is geen goede vertaling voor. Genadeloos, onophoudelijk, zonder onderbreking. Eigenlijk is mijn vertaling net zo goed: "een ding zonder vrienden".

Met mijn één meter vijfentachtig en fikse hoed viel ik nogal op. Bijnamen: Indiana Jones, Angry Man (op dag 3, beetje klaar ermee), Ali Baba maar ook My Brother - zo werd ik genoemd door de zwartste man die ik ooit zag, hij moet haast blind geweest zijn. Boss vond ik de naarste. Dat is Bwana, maar dan anders - en er zat achter elke "boss" een bijna voelbare weerzin en afschuw. "Een ding zonder vrienden".

Het is een bitterzoete ervaring, dit weekendje Marokko. Pijnlijk, onthutsend, naar, verbijsterend. Maar ook prachtig, sfeervol, verpletterend, adembenemend, ongelooflijk mooi en uitdagend.
En dat laatste: uitdagend. Er valt heel wat te veroveren, overtuigen, accepteren, verteren, begrijpen en overbruggen. Islamitische landen zijn niet met een weekendje te begrijpen, verklaren of incorporeren. 

Zonder zelf in de spiegel te kijken en je eigen rol kritisch te beoordelen - waarbij je niet per se als winnaar uit de strijd komt omdat je toevallig uit een Westerse democratie komt - schiet het allemaal niks op. Ik ben er, zoals u leest, in ieder geval nog lang niet uit.


zondag 31 december 2017

Nieuwjaar In Londen

Je kunt jezelf verwennen. Je kunt dat overdrijven - dat kan extreme vormen aannemen. En als je dacht dat het niet absurder kan, dan is er altijd nog Londen. Decadentie, hedonisme, onmatigheid; het lijkt hier gepersonifieerd.

Dit was ons tweede bezoek aan Londen. In 2012 een bliksemdag, vanuit een camping in het zuidwestelijk van London gelegen Chertsey met de trein. Toen de usual suspects bezocht. Big Ben, Trafalgar Square, Westminster, Buckingham Palace, Piccadilly Circus - de poten kapot gelopen dus. 

Vandaar het voornemen om vandaag wat geduldiger en kleinschaliger op pad te gaan. Haalbare doelen, zogezegd. Allereerst: het goede, voor ieder gratis over te nemen voornemen om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Vóórdat je precies uitgevist hebt hoe je ergens naar toe moet lopen, ben je er al met de metro. Het is even gepuzzel om uit te vissen wat de gunstigste kaartjes zijn - in ons geval bleek dat een Oyster Card, net zoiets als een anonieme OV-chipcard. Te koop in een automaat, meteen op te laden en overal te gebruiken - met als sympathiek extraatje dat wanneer je meer dan 6 pond 60 ver-reist, de rest van de dag gratis is. Ik herhaal, voor het geval er Hollanders zijn die dit verkeerd verstaan hebben: het reizen in Londen kost niet meer dan 6 pond 60 per etmaal per persoon. Al stap je op 12 bussen, 23 metro's en 217 trams; kost niks extra. Kinderen zijn overigens goedkoper. 
De metro brengt je snel - maar volstrekt niet comfortabel - overal. Het is lawaaierig, erg warm, druk en krakkemikkig. In de metro gaan de hele tijd lampen uit - als de openingssequentie van een rampenfilm. Gelukkig reageert de doorsnee Londenaar daarop net zoals op een natuurramp, aanslag of Brexit; nauwelijks. Dat geeft rust, blijkbaar is het normaal dat de treinstelen gieren, knarsen, piepen en bonken; dat het licht te pas en te onpas hapert, de mededelingen van de machinist vaak volstrekt onverstaanbaar zijn en de stations mudvol zijn - overal, de hele dag door. En dan moeten we nog naar het vuurwerk, waar een miljoen (!!) toeschouwers verwacht worden.

Na wat over-en-weer gebakkelei werden mijn vrouw en ik het eens. Dag één zouden we een compromis-bezoek aan de National Gallery brengen. Ik wilde eigenlijk naar het British Museum, waar de Steen van Rosetta ligt en waar je kunt genieten van waarschijnlijk de mooiste en grootste collectie cultureel-historische kunst ter wereld. Liel  daarentegen wilde liever naar het Tate Modern, vol met 20e-eeuwse moderne kunst, van Picasso tot Míro, van Pollock tot Dalí. De Gallery ligt mooi in het midden qua collectie; schilderijen van 1200 tot ongeveer 1920, dus Van Gogh en Rembrandt, Titiaan en Degas, Da Vinci en Michelangelo. En Monet, en Toulouse-Lautrec. Ach, je moet wat. Had ik al verteld dat al die musea vrij toegankelijk zijn? Altijd?

Het was, gezien kerstvakantie en morgen Oud Op Nieuw, dus vreselijk druk in Londen. Het museum viel nog wel mee maar op Trafalgar Square, The Strand en Charing Cross was het bomvol. We besloten na de lunch met de metro naar Harrods te gaan, zo'n plek waar we veel over gehoord hadden en waar de vorige keer gewoon geen tijd voor was. Ik stelde me Harrods voor als de Bijenkorf in het kwadraat. 
Het bleek de hel op aarde te zijn. Strak in het pak, duidelijk duur gecoiffeerd, welriekend en duidelijk op uiterlijke schoonheid geselecteerde upper class, in grote getale aanwezig. En dat was nog maar het personeel.
Opvallend veel Arabieren. Ik zag vrouwen - neem ik aan - in volledige boerka's gehuld bij de balies van Dior. Blijkbaar mag je niet zichtbaar maar wel ruikbaar zijn. Jonge, gehoofddoekte prachtig opgemaakte vrouwen stonden handtassen van 2500 euro te knuffelen. Onwaarschijnlijk veel strakgeschoren Arabische patsers met loeidure zonnebrillen op en pakken die meer kosten dan ik in twee maanden verdien, liepen/stonden/hingen dit allemaal verveeld te aanschouwen. 

Het was er verschrikkelijk druk, het aroma van al die dure parfums en make-up overspoelde me. De atmosfeer die er hing was evenwel niet alleen bedrukkend door die overdaad aan cosmetica. Het duidelijke dédain van de rijkeluiskinderen, de leegte in hun ogen, de vanzelfsprekendheid van de bespottelijke prijzen van dit consumptie-armageddon - het was te veel. Buiten op straat liggen zwervers op kartonnen platen en binnen lopen mensen duizenden ponden te verbrassen waar ze geen minuut voor hebben hoeven werken. Het kinderfonds van de Saoedische emirs, prinsen uit de Emiraten en sjeiks uit Oman keert wel uit. Het is ranzig en weerzinwekkend. Ik ben echt geen antikapitalist maar mensen die de waarde van geld niet meer kennen omdat ze er, zonder er enige moeite voor gedaan te hebben, in omkomen - nee, dat vind ik, op zijn zachtst gezegd, helemaal niks. Ik zal mezelf heus niet van materialisme vrijpleiten maar ik heb voor alles wat ik bezit heel hard gewerkt. Maar daar? Die wereld?
Om bij de metro te komen moet je langs de Bang & Olufsen vertegenwoordiger, tegenover het Levin Hotel - kamers vanaf 500 pond per nacht. Verder gaat het, je loopt voor de etalage van de McLaren garage langs - vanaf 1 miljoen pond voor een auto. Gelukkig koop je ernaast, bij de Rolex boer, al een klokje vanaf 5 mille. Ik ga nooit meer naar Harrods. De mensheid op zijn ziekst, deze omgeving. De mens krijgt wat hij verdient - op Brompton Road en Bond Street verlies je alle vertrouwen in een goede afloop.

De Cadenhead Whisky Shop bracht verlichting. In de buurt van Gerry Rafferty's Baker Street ligt dat in whiskykringen beroemde winkeltje een parel van een winkeltje te wezen. In een straat met meer van die charmante kleine shopjes kun je tussen de vintage bruidsjurken en de kaarsenwinkel, vlak naast de in originele staat verkerende meer dan 100 jaar oude brandweerkazerne, leuk whisky kopen. Cadenhead is en onafhankelijke bottelaar; ze kopen vaten whisky van gerenommeerde stokerijen en zetten die onder hun eigen naam in de markt, zoals dat heet. Het is opmerkelijk dat whisky hier in het VK vaak veel duurder is dan op het vasteland - belasting en zo, het is werkelijk de moeite waard om whisky naar Schotland te smokkelen vanuit Nederland. Bij winkels als Cadenhead kun je wat zeldzamere soorten vinden voor heel redelijke prijzen - wat ik dan ook gedaan heb. Voor de kenner, een 21YO Ben Nevis en een 12YO Cask End Glen Ord. 

En dat was nog maar de zaterdag. Op zondag, na - vanzelfsprekend - mijn English Breakfast (met braadworst, witte bonen in tomatensaus, spek& ei en toast), zijn Liel en ik naar Camden Market geweest. Een oud fabrieksterrein omgetoverd tot winkeltjes, proeverijen, ambachtelijke ondernemingen(veel leer) en street food kraampjes. Ganz Toll, kan ik jullie vertellen. Ik kocht er een leren dokterstas/koffer van minstens 60 jaar oud, zo vintage als maar kan. Nog wat stoffig en verweerd maar ik ga 'm opknappen. Whiskysamples passen er prima in, denk ik zo.

Nu dan een paar uur rust, op de hotelkamer, wat facebooken en luieren - straks gaan we met zijn allen eten en dan naar de Thames, voor het vuurwerk. Om 01 uur Nederlandse tijd wordt dit op de BBC uitgezonden, dus als je weer binnen bent zonder brandwonden en met beide ogen kun je even kijken waar wij precies zijn. We zullen zeker even zwaaien.