zaterdag 29 augustus 2026

Water

 Als je langs een fjord van anderhalve kilometer diep rijdt, naar het gitzwarte water kijkt met aan de overzijde anderhalve kilometer hoge rotsen die bijna loodrecht uit het water oprijzen en op de radio besluit de dienstdoende DJ "Black" van Pearl Jam te spelen, heb je voor een korte tijd de perfecte soundtrack bij dat moment van je leven. Veel completer wordt het niet. Overpeinzingen over al dat water zijn onvermijdelijk dan, ietwat door Eddie geromantiseerd.  "Black" is een sombere, repetitieve klassieker met de doordringende raspende stem van Vedder. Daarmee uitkijkend op een honderdduizenden jaren oud fjord met daarin steenkoud, ontstellend diep water dat er al was toen je werd geboren en er nog steeds is als iedereen je al vergeten is, maakt bescheiden. Memento mori. 


Olifanten hebben geen traanbuizen. Vocht uit hun ogen stroomt door een plooi op hun gezicht naar beneden. In tijden van opwinding, agitatie en stress hebben (met name mannetjes-) olifanten die goot ook nodig om een stroom van hormonale olie uit een klier tussen oog en oor af te voeren. Olifanten hebben dan ook vaak een donkere, schijnbaar vochtige baan op hun gezicht alsof er permanent vocht over stroomt. 

Daar moest ik nou aan denken toen ik de rotsen hier in Noorwegen permanent zag tranen. Ze zweten vocht, bovenaan de berg zie je vocht (letterlijk!) opwellen uit de vlakke verticale delen van de rotsen, langzaam maar zeker, alsof ze zó onder druk staan dat ze niet anders kunnen dan het water dat in ze opgesloten zit, prijs te geven. De kleur, het verschil tussen natte en droge rots, doet me aan de olifanten denken. Het water sijpelt, kruipt, ontspringt uit de rotsen zelf, onmiskenbaar en onontkoombaar, niet te stoppen en onafgebroken. Het drupt zichzelf in minuscule poeltjes door de mossen heen en vormt langzaam maar zeker zoiets als een vennetje, een plasje. Daaruit komt dan weer een hardnekkig, dwingend straaltje dat, door de aanhoudende hoogteverschillen, al snel een profiel schuurt in de bosgrond. Een beekje krijgt vorm. Daarna voegen zich andere straaltjes, klein maar steeds meer, bij de beek. Het hoogteverschil en de toegenomen aanvoer maken brokken, al snel gaat het water harder dan het hoogteverschil kan verwerken; een watervalletje is het gevolg. 

Deze cyclus is bijna oneindig. Naarmate het water daalt, wordt het meer; letterlijk ook. Er zijn meren zó groot dat je ze verwart met fjorden. De verschillen zijn misschien slecht zichtbaar maar evident. Meren zijn zoetwater, fjorden op zijn minst, ver van zee, brak. Fjorden hebben een directe verbinding met de zee, meren hooguit met elkaar. Meren komen uit in fjorden, fjorden komen uit in de zee. 

De meren liggen, haast onbegrijpelijk, soms in één landschap op verschillende hoogtes. Dat is moeilijk bevatten voor onze geest; water hoort naar het laagste punt te stromen, hoe kan het dan op drie, soms vier niveaus, blijven? En schijnbaar stil blijven liggen, met weerspiegelingen die zó precies en scherp zijn dat je de overgang tussen omgeving en reflectie kwijt bent? Ongeloof en verbijstering zijn het gevolg. En kleinheid. 

Er zijn waterlopen die zich weinig aantrekken van de neiging tot uitvloeien in meren. Die stromen verwachten van de omgeving zich te schikken naar de eisen van het slijpende, dwingende en onstuitbare water. Ze forceren hun eigen weg en storten zich, soms over honderden meters, van de rotsen in de meren. Uiteindelijk wint de loop maar het afscheid van de tegendraadse beken is spectaculair en uniek, steeds weer. Geen twee watervallen lijken op elkaar. 

Alles hier staat in dienst van het water maar is ook schatplichtig eraan. De fjorden worden bevolkt door ferries, meer dan ik kan tellen. Korte verbindingen over de zwarte kloven, verontrustend stil en precies; alles vaart op elektriciteit, de schepen trillen niet meer en maken geen geluid. Doodstil glijden de veerboten, schijnbaar over Hades; in het diepe zwart zijn alle geheimen veilig. Als de veerboot aanlegt maakt hij, nog voor hij stilligt, verbinding met het stopcontact aan wal; de elektriciteit wordt bijgeladen nog vóórdat er auto's van de veerboot komen. De elektriciteit is, poëtischer kan haast niet, opgewekt door hoger gelegen hydro-elektrische centrales, die uit de aangelegde stuwmeren met reusachtige dynamo's stroom opwekken. In stilte. 

Zet "Black" 'ns op. Eddie legt het véél beter uit dan ik kan. 


donderdag 27 augustus 2026

Kennismaking met Plien

 

Kleine inleiding camperbeheer. Zondag 23/8/26

 Een camper bestaat uit een onderstel en een opbouw. In ons geval een vol-integrale opbouw van Hymer op een Fiat Ducato XL onderstel. De 130 pk common rail diesel van de Ducato is gechiptuned naar 180 PK en het koppel is van 320 naar 415 Newtonmeter opgeschroefd. Daarmee rijdt Plien als een zonnetje, ook serieuze passen met krankzinnige loeisteile bochten zoals de Lysebotnvegen. 

We leren Plien steeds een beetje beter kennen. Pril begin van een serieuze relatie, zogezegd.  Inmiddels hebben we er 1600 kilometer op zitten sinds ons vertrek uit Sittard.  Het snelwegverbruik zit op 1:8,6. In het binnenland, zonder rechte stukken en in sterk gevarieerde hoogtes, lust ze een slokje diesel meer, zo'n 1 op 7. Al met al, voor een voertuig (vrachtwagen!) met een maximale last van 4250 kg (en dat weegt ze volbepakt ook heus wel) netjes.

Haar betrouwbare kilometerhistorie betreft net iets meer dan 61000 km bij aanschaf. Dat is voor een camper van 14 jaar oud een gemiddelde van 4500 kilometer per jaar, schunnig weinig voor een reizend buitenhuisje van deze kwaliteit.

Nu komen we bij het punt dat ik wil maken; de camper heeft weliswaar niet veel gereden maar is wel veel gebruikt, dus bewoond zonder verplaatsen. Waarom een mens dan een camper van €113000 koopt (in 2012!) is me een raadsel, een caravan met deze uitrusting kost misschien een derde van dat bedrag - en dan heb je een hele serieuze. Wij zijn derde eigenaar, de tweede eigenaar heeft 'm iets meer dan een jaar gehad en er 1200 km mee gereden (en dat is controleerbaar). De eerste eigenaar is nogal dood, zijn zoon heeft Plien in 2025 aan onze Belgische vrienden verkocht. 

Die dooie bejaarde heeft dus flink aan onze meubels en uitrusting lopen trekken en duwen. Met name de veel gebruikte delen (display verwarming, lades keuken, draaislingers van dakramen, dat soort dingen) gaan nu allemaal langzaam aan stuk. De leeftijd van de plastics in een omgeving die knap warm kan worden in de zon helpt evenmin mee. Daar staat dan weer tegenover dat het zitmeubilair met een viezig soort grijs skai was bekleed - niet erg professioneel - en toen we dat er af haalden zagen de stoelen en banken er uit alsof ze net uit de fabriek kwamen. Geen enkele slijtage op de originele bekleding. 

Om het raadsel nog wat groter te maken, de sanitaire voorzieningen (toilet en douche) zijn dan weer nauwelijks gebruikt. We vermoeden dat het ding veelal op campings gestaan heeft, langere periodes, en dat de lokale voorzieningen de voorkeur hadden. 

Dat maakt dat we enerzijds mopperend het ene na het andere greepje, schuifje, bedieningspaneeltje, waterklepje, benzineklepje en wat dies meer zij zien haperen en sneven -zie maar eens aan onderdelen te komen in Noorwegen, waar de websites dus (meestal enkel) in het Noors zijn en je geen verzendadres hebt. Anderzijds evenwel is de kwaliteit van alle andere dingen, de kastjes bovenin bijvoorbeeld, van een dermate hoog niveau dat een club potige  dronken stewardessen die dingen nog niet kapot gegooid zou krijgen al zouden ze hun uiterste best doen. De auto start en rijdt volstrekt zorgeloos de wereld door. De verlichting is dermate uitgebreid dat we een bron van stoorlicht zijn als we wild kamperen op een donkere plek. De Starlink op het dak, van de vermaledijde Elon Musk, doet het geweldig - we hebben altijd en overal breedband internet. 

Met betrekking tot de electra, die moet als eerder gemeld, gesaneerd. Ik gebruik deze reis om me daar grondig in te verdiepen, zodat ik in ieder geval een deel van die operatie zelf kan uitvoeren. Het resultaat gaat zijn dat we waarschijnlijk bijna nooit meer walstroom nodig gaan hebben, omdat de moderne techniek samen met de dynamo en de zonnepanelen de enorme accu vol gaat houden (en we zelfs op termijn een 12 volt airco kunnen installeren). Het streven is om binnen een jaar of twee een volledig autarkische camper te hebben; enkel water scoren en grijs/zwart dumpen zijn dan nog externe factoren. De camper wordt een soort wolf in schaapskleren; van buiten dertien-in-een-dozijn, van binnen state-of-the-art 2030-ready. Of zoiets. 

Morgen rijden we naar Bergen. Niet om de stad te bezichtigen maar omdat daar een winkel met een magazijn (ze bestaan dus nog) een Alde bedieningspaneeltje op voorraad heeft. Naarmate het seizoen vordert en we verder naar het noorden trekken is een goed bedienbare verwarming wel een pré, zullen we maar zeggen. Het schermpje nu is uit 2012 en nét te vaak nét te hard ingedrukt. Het doet het dus soms. Even. En dan weer niet. 

Overigens is Noorwegen een prijstechnisch krankzinnig land. Vies en/of ongezond eten (witte bonen in tomatensaus...) is het goedkoopst; voor een komkommer betaal je dan weer al gauw €2,50. Verse groenten zijn echt heel duur. Frisdrank en vlees valt mee; een brood evenwel kost bij de bakker doodleuk €7,-. En dat display voor de verwarming, zeldzaam, moeilijk te krijgen, in een fysieke winkel? Bijna €100,- GOEDKOPER dan de laagste internetprijs in Nederland. 

Na een dikke week dagelijks verkassen hebben we er nu drie nachten op dezelfde plek opzitten. Nou ja, de derde, dat is vanavond. In Skanevik, tussen het Folgefonne Nasjonalpark en Geopark Sunnhordland, Uitgerust, beetje rondgefietst, boodschapje, prutsklusjes,12-volt-technologie bestuderen. 

Morgen (dat is alweer een paar dagen geleden, dat "morgen") steken we over met de ferry naar Utaker, die ook zojuist weer achter mij langs vaart - de kade is 150 meter verderop - en rijden we een stuk. Dan nemen we de ferry van Arsness naar Gjerdmunds-hamn om maar in de buurt van Bergen te kunnen komen. Tja, dat zijn nog eens andere obstakels dan de wegwerkzaamheden voor de verbreding van de A2. Twee enorme fjorden om in de dichtstbijzijnde stad van enige omvang te komen, het is me wat. 

De route die nu volgt (na Bergen) blijft aan de westkant, veelal de westkust, van Noorwegen, gestaag naar het boorden oprukkend. Maximaal noordelijk punt wordt Trondheim. Er komt nog een treinrit, het ene na het andere Nasjonaalpark, tig ferries, fjorden en een paar klassieke wegen aan (Tindevegen, Trollstiegen en Atlanterhavsveien). En dan vlotjes ("even") naar Oslo om die stad een paar dagen te verkennen en wat cultuur te snuiven, er is daar een heel geweldig museum voor moderne kunst, zeggen ze. 

Ik beloof dat de volgende blogs weer wat smeuïger worden maar voor nu is het ook een beetje dagboekvoering. En rustdagen zijn niet de beste dagen voor juice.  Dus vergeef me. Of niet, zoek het maar uit. 

En nou ga ik race kijken. Verstappen eruit in ronde drie. Niet alles zit mee.

. 






maandag 17 augustus 2026

Noorwegen, zes jaar later

 Daar zijn we weer! Afgelopen vrijdag (nou ja, technisch gesproken zaterdagochtend 0:30u) zijn we in Kristiansand aan land gekomen. Na een ontstellend saaie rit door Duitsland en Denemarken zijn we in Hirtshals ingescheept en dik drie uur later dus in Noorwegen gearriveerd.

De parkeerplaats bij de basisschool in een nette buitenwijk, zo'n acht kilometer vanaf de haven, bleek een schot in de roos. Stil, donker, aan de rand van een prachtig stuk natuur. Op Google Maps van te voren uitgezocht, dat is een moderne vaardigheid die ik grondig ontwikkeld heb de laatste jaren. 

Vanaf een uur of zes 's ochtends trokken hordes joggers aan ons voorbij. Zoals wel vaker in Noorwegen is niets wat het lijkt, normaal is hier een heel andere normaal dan bij ons. We wandelden 's ochtends de holmensen achterna en kwamen in een soort oerbos, met keien, kaalgespoelde boomwortels en zeer geaccidenteerd terrein terecht. Niet per se een comfortabel stuk om gezellig een beetje op rond te joggen, we vonden wandelen al een fikse uitdaging. Een stel met twee peuters liep sneller dan wij door het gebied, waar het woord "pad" een heel eigentijdse invulling had gekregen. Net een GEN-Z'er; fluide, ongedefinieerd, alle kanten op gaand en soms ineens spoorloos om even later volkomen onverwacht weer op te duiken.

Lille Prejkestölen hebben we niet gehaald. De miniatuurversie van de échte Prejkestölen, oostelijk van Stavanger, lag nochtans vlakbij.  Aanvankelijk leek 2,8 kilometer een eitje maar in dat terrein hadden het net zo goed 28 kilometer kunnen zijn. Terwijl we hijgend stonden te bekomen van de inspanningen, zo na een kilometer of twee, werden we door een groep Noorse 90-plussers ingehaald die hinkend op één been, achterwaarts en met 25 kilo bepakking er juist een kilometer of vijftien op hadden zitten. Moeiteloos. Wat een ergerlijk fit volkje, die Noren.

Overigens was het natuurgebiedje in kwestie wel een revelatie. Grote nesten met bosmieren, blauwe waterjuffers, tig verschillende vogels, begroeiing - zowel loofwoud als naaldbomen, enthousiast door elkaar, vennen en meertjes en een gratis geologieles. De stenen waren uitgebreid voorzien van krassen, veroorzaakt door schuivende gletsjers in de laatste ijstijd. Je zag de bolders die door het ijs waren meegesleept, kriskras achteloos achtergelaten door een gesmolten meesteres. 

Gezien de inspanningen van met name dag twee, 800 ontstellend saaie kilometers (waarom schaffen we Denemarken niet gewoon af?) en de late overtocht, hebben we de voorbije dagen een beetje rustig aan gedaan. Onze nieuwe kilometervreter, Plien genaamd (toelichting bij mondelinge navraag, gezien de geheimhoudingsclausule), verdient ook tijd en aandacht; we leren elke dag nog nieuwe dingen. Daarbij blijkt de electra-installatie toch écht aan onmiddellijke modernisering toe, een handicap voor deze reis waar we vrijwel dagelijks last van zullen hebben. Ach, kamperen is improviseren.

We hebben een nachtje (dag 2 op 3) in een kleine haven (Borhaug) gestaan. Altijd een feestelijke plek, havens. Staan we nu, dag 4 op 5, trouwens ook (Sirevag). Gisteren hebben we het eerste spektakelstuk gereden; de route van Borhaug Bobilcamp (Noors voor camperplaats)  naar Hvalkjeften Egersund, via Ana Sira, was geweldig, meteen een zwik haarspeldbochten, grote hoogteverschillen, enorme rotspartijen en de eerste fjorden met doorkijkjes naar zee. De gechipte camper verdraagt het allemaal voorbeeldig en rijdt nonchalant in de tweede versnelling steile haarspelden op. 

Het plan voor morgen heeft gevolgen voor vandaag. Ten eerste, de genoemde electra-beperkingen dwingen ons om om de dag stroom op te zoeken. Dat is het vertrekpunt bij de vaststelling van plannen. Dat zijn we niet gewend. Beetje onhandig (en duur ook, vrij staan is toegestaan en gratis, voor voorzieningen ben je hier niet per se goedkoop uit). Dat gezegd hebbende, ik zal er niet meer over zeuren, komt wel goed. We smijten er thuis een zak geld tegenaan en dan kunnen we vijf tot zeven dagen zonder stroom straks. Of langer, mits veel zon. 

Morgen gaan we wat inkopen doen voordat we weer aan boord van een schip gaan. We hebben tuinslang, een gieter, een kayakpeddel, wat visgerei en een parkeerschijf nodig. En ook een lange stokreiniger voor de genant grote voorruit van Plien. En ruitensproeiervloeistof - de tank daarvoor is een liter of tien groot, derhalve. Laten ze voor dat soort zaken hier in Noorwegen nogal wat breed geoutilleerde middenstanders hebben, dus dat zal wel goed komen. Het is het prototype lijstje voor de local bushmen hier. 

Daarna evenwel, om 15u10, vertrekt de cruiseferry vanuit Lauvvik. Die vaart in drie uur door de Lysefjord, langs onder meer Prejkestölen. We ontschepen in Lysebotn; daar rijden we de volgende ochtend meteen Lysebotnvegen op. Deze dus. Dat is er wel eentje die in het rijtje bucketlist wegen hoort. Ik zie er, met enige knik in de knie, naar uit. 

In de komende week trekken we zigzaggend langs de kustlijn naar het Noorden. Stavanger slaan we over; de eerste stad van betekenis is Bergen. Vanuit Lysebotn gaan we het binnenland in, niet dat we enige keuze hebben; de natuurgebieden hier bepalen waar er wegen zijn en je past je route maar lekker aan. We zitten nu nog ter hoogte van de Orkney Eilanden (als whiskyliefhebber wordt alles gerelateerd aan Schotland, zo werkt dat). Bergen is al voorbij de breedtegraad van de Shetlands en Trondheim, de meest noordelijke stad waar we mogelijk komen (camper, bestemmingen zijn theoretisch, u weet wel) ligt al net zo noordelijk als de zuidkust van IJsland. En zo'n 650 km noordelijk van Kristiansand.  

Klein huiveringwekkend detail; vanaf Trondheim moet je nog 800 (!!) kilometer naar het noorden om ons meest noordelijke punt van 2020 te bereiken. Noorwegen is écht groot, jonguh.

Ook Lilian is er maar druk mee; ze houdt nu al onze avonturen bij op Polarsteps:

 https://www.polarsteps.com/LilianTacke/28084811-noorwegen?s=a1c5bd39-7916-4b6d-ba01-f2988d2285b9&referral=true

Zo kun je, buiten mijn geleuter hier, ook de route en de overnachtingsplekken bekijken en dat is vast leuk. 

Niet zo leuk als zelf reizen, dat dan weer niet.