Als je langs een fjord van anderhalve kilometer diep rijdt, naar het gitzwarte water kijkt met aan de overzijde anderhalve kilometer hoge rotsen die bijna loodrecht uit het water oprijzen en op de radio besluit de dienstdoende DJ "Black" van Pearl Jam te spelen, heb je voor een korte tijd de perfecte soundtrack bij dat moment van je leven. Veel completer wordt het niet. Overpeinzingen over al dat water zijn onvermijdelijk dan, ietwat door Eddie geromantiseerd. "Black" is een sombere, repetitieve klassieker met de doordringende raspende stem van Vedder. Daarmee uitkijkend op een honderdduizenden jaren oud fjord met daarin steenkoud, ontstellend diep water dat er al was toen je werd geboren en er nog steeds is als iedereen je al vergeten is, maakt bescheiden. Memento mori.
Olifanten hebben geen traanbuizen. Vocht uit hun ogen stroomt door een plooi op hun gezicht naar beneden. In tijden van opwinding, agitatie en stress hebben (met name mannetjes-) olifanten die goot ook nodig om een stroom van hormonale olie uit een klier tussen oog en oor af te voeren. Olifanten hebben dan ook vaak een donkere, schijnbaar vochtige baan op hun gezicht alsof er permanent vocht over stroomt.
Daar moest ik nou aan denken toen ik de rotsen hier in Noorwegen permanent zag tranen. Ze zweten vocht, bovenaan de berg zie je vocht (letterlijk!) opwellen uit de vlakke verticale delen van de rotsen, langzaam maar zeker, alsof ze zó onder druk staan dat ze niet anders kunnen dan het water dat in ze opgesloten zit, prijs te geven. De kleur, het verschil tussen natte en droge rots, doet me aan de olifanten denken. Het water sijpelt, kruipt, ontspringt uit de rotsen zelf, onmiskenbaar en onontkoombaar, niet te stoppen en onafgebroken. Het drupt zichzelf in minuscule poeltjes door de mossen heen en vormt langzaam maar zeker zoiets als een vennetje, een plasje. Daaruit komt dan weer een hardnekkig, dwingend straaltje dat, door de aanhoudende hoogteverschillen, al snel een profiel schuurt in de bosgrond. Een beekje krijgt vorm. Daarna voegen zich andere straaltjes, klein maar steeds meer, bij de beek. Het hoogteverschil en de toegenomen aanvoer maken brokken, al snel gaat het water harder dan het hoogteverschil kan verwerken; een watervalletje is het gevolg.
Deze cyclus is bijna oneindig. Naarmate het water daalt, wordt het meer; letterlijk ook. Er zijn meren zó groot dat je ze verwart met fjorden. De verschillen zijn misschien slecht zichtbaar maar evident. Meren zijn zoetwater, fjorden op zijn minst, ver van zee, brak. Fjorden hebben een directe verbinding met de zee, meren hooguit met elkaar. Meren komen uit in fjorden, fjorden komen uit in de zee.
De meren liggen, haast onbegrijpelijk, soms in één landschap op verschillende hoogtes. Dat is moeilijk bevatten voor onze geest; water hoort naar het laagste punt te stromen, hoe kan het dan op drie, soms vier niveaus, blijven? En schijnbaar stil blijven liggen, met weerspiegelingen die zó precies en scherp zijn dat je de overgang tussen omgeving en reflectie kwijt bent? Ongeloof en verbijstering zijn het gevolg. En kleinheid.
Er zijn waterlopen die zich weinig aantrekken van de neiging tot uitvloeien in meren. Die stromen verwachten van de omgeving zich te schikken naar de eisen van het slijpende, dwingende en onstuitbare water. Ze forceren hun eigen weg en storten zich, soms over honderden meters, van de rotsen in de meren. Uiteindelijk wint de loop maar het afscheid van de tegendraadse beken is spectaculair en uniek, steeds weer. Geen twee watervallen lijken op elkaar.
Alles hier staat in dienst van het water maar is ook schatplichtig eraan. De fjorden worden bevolkt door ferries, meer dan ik kan tellen. Korte verbindingen over de zwarte kloven, verontrustend stil en precies; alles vaart op elektriciteit, de schepen trillen niet meer en maken geen geluid. Doodstil glijden de veerboten, schijnbaar over Hades; in het diepe zwart zijn alle geheimen veilig. Als de veerboot aanlegt maakt hij, nog voor hij stilligt, verbinding met het stopcontact aan wal; de elektriciteit wordt bijgeladen nog vóórdat er auto's van de veerboot komen. De elektriciteit is, poëtischer kan haast niet, opgewekt door hoger gelegen hydro-elektrische centrales, die uit de aangelegde stuwmeren met reusachtige dynamo's stroom opwekken. In stilte.
Zet "Black" 'ns op. Eddie legt het véél beter uit dan ik kan.








