Daar zijn we weer! Afgelopen vrijdag (nou ja, technisch gesproken zaterdagochtend 0:30u) zijn we in Kristiansand aan land gekomen. Na een ontstellend saaie rit door Duitsland en Denemarken zijn we in Hirtshals ingescheept en dik drie uur later dus in Noorwegen gearriveerd.
De parkeerplaats bij de basisschool in een nette buitenwijk, zo'n acht kilometer vanaf de haven, bleek een schot in de roos. Stil, donker, aan de rand van een prachtig stuk natuur. Op Google Maps van te voren uitgezocht, dat is een moderne vaardigheid die ik grondig ontwikkeld heb de laatste jaren.
Vanaf een uur of zes 's ochtends trokken hordes joggers aan ons voorbij. Zoals wel vaker in Noorwegen is niets wat het lijkt, normaal is hier een heel andere normaal dan bij ons. We wandelden 's ochtends de holmensen achterna en kwamen in een soort oerbos, met keien, kaalgespoelde boomwortels en zeer geaccidenteerd terrein terecht. Niet per se een comfortabel stuk om gezellig een beetje op rond te joggen, we vonden wandelen al een fikse uitdaging. Een stel met twee peuters liep sneller dan wij door het gebied, waar het woord "pad" een heel eigentijdse invulling had gekregen. Net een GEN-Z'er; fluide, ongedefinieerd, alle kanten op gaand en soms ineens spoorloos om even later volkomen onverwacht weer op te duiken.
Lille Prejkestölen hebben we niet gehaald. De miniatuurversie van de échte Prejkestölen, oostelijk van Stavanger, lag nochtans vlakbij. Aanvankelijk leek 2,8 kilometer een eitje maar in dat terrein hadden het net zo goed 28 kilometer kunnen zijn. Terwijl we hijgend stonden te bekomen van de inspanningen, zo na een kilometer of twee, werden we door een groep Noorse 90-plussers ingehaald die hinkend op één been, achterwaarts en met 25 kilo bepakking er juist een kilometer of vijftien op hadden zitten. Moeiteloos. Wat een ergerlijk fit volkje, die Noren.
Overigens was het natuurgebiedje in kwestie wel een revelatie. Grote nesten met bosmieren, blauwe waterjuffers, tig verschillende vogels, begroeiing - zowel loofwoud als naaldbomen, enthousiast door elkaar, vennen en meertjes en een gratis geologieles. De stenen waren uitgebreid voorzien van krassen, veroorzaakt door schuivende gletschers in de laatste ijstijd. Je zag de bolders die door het ijs waren meegesleept, kriskras achteloos achtergelaten door een gesmolten meesteres.
Gezien de inspanningen van met name dag twee, 800 ontstellend saaie kilometers (waarom schaffen we Denemarken niet gewoon af?) en de late overtocht, hebben we de voorbije dagen een beetje rustig aan gedaan. Onze nieuwe kilometervreter, Plien genaamd (toelichting bij mondelinge navraag, gezien de geheimhoudingsclausule), verdient ook tijd en aandacht; we leren elke dag nog nieuwe dingen. Daarbij blijkt de electra-installatie toch écht aan onmiddellijke modernisering toe, een handicap voor deze reis waar we vrijwel dagelijks last van zullen hebben. Ach, kamperen is improviseren.
We hebben een nachtje (dag 2 op 3) in een kleine haven (Borhaug) gestaan. Altijd een feestelijke plek, havens. Staan we nu, dag 4 op 5, trouwens ook (Sirevag). Gisteren hebben we het eerste spektakelstuk gereden; de route van Borhaug Bobilcamp (Noors voor camperplaats) naar Hvalkjeften Egersund, via Ana Sira, was geweldig, meteen een zwik haarspeldbochten, grote hoogteverschillen, enorme rotspartijen en de eerste fjorden met doorkijkjes naar zee. De gechipte camper verdraagt het allemaal voorbeeldig en rijdt nonchalant in de tweede versnelling steile haarspelden op.
Het plan voor morgen heeft gevolgen voor vandaag. Ten eerste, de genoemde electra-beperkingen dwingen ons om om de dag stroom op te zoeken. Dat is het vertrekpunt bij de vaststelling van plannen. Dat zijn we niet gewend. Beetje onhandig (en duur ook, vrij staan is toegestaan en gratis, voor voorzieningen ben je hier niet per se goedkoop uit). Dat gezegd hebbende, ik zal er niet meer over zeuren, komt wel goed. We smijten er thuis een zak geld tegenaan en dan kunnen we vijf tot zeven dagen zonder stroom straks. Of langer, mits veel zon.
Morgen gaan we wat inkopen doen voordat we weer aan boord van een schip gaan. We hebben tuinslang, een gieter, een kayakpeddel, wat visgerei en een parkeerschijf nodig. En ook een lange stokreiniger voor de genant grote voorruit van Plien. En ruitensproeiervloeistof - de tank daarvoor is een liter of tien groot, derhalve. Laten ze voor dat soort zaken hier in Noorwegen nogal wat breed geoutilleerde middenstanders hebben, dus dat zal wel goed komen. Het is het prototype lijstje voor de local bushmen hier. Daarna evenwel, om 15u10, vertrekt de cruiseferry vanuit Lauvvik. Die vaart in drie uur door de Lysefjord, langs onder meer Prejkestölen. We ontschepen in Lysebotn; daar rijden we de volgende ochtend meteen Lysebotnvegen op. Deze dus. Dat is er wel eentje die in het rijtje bucketlist wegen hoort. Ik zie er, met enige knik in de knie, naar uit.In de komende week trekken we zigzaggend langs de kustlijn naar het Noorden. Stavanger slaan we over; de eerste stad van betekenis is Bergen. Vanuit Lysebotn gaan we het binnenland in, niet dat we enige keuze hebben; de natuurgebieden hier bepalen waar er wegen zijn en je past je route maar lekker aan. We zitten nu nog ter hoogte van de Orkney Eilanden (als whiskyliefhebber wordt alles gerelateerd aan Schotland, zo werkt dat). Bergen is al voorbij de breedtegraad van de Shetlands en Trondheim, de meest noordelijke stad waar we mogelijk komen (camper, bestemmingen zijn theoretisch, u weet wel) ligt al net zo noordelijk als de zuidkust van IJsland. En zo'n 650 km noordelijk van Kristiansand.
Klein huiveringwekkend detail; vanaf Trondheim moet je nog 800 (!!) kilometer naar het noorden om ons meest noordelijke punt van 2020 te bereiken. Noorwegen is écht groot, jonguh.
Ook Lilian is er maar druk mee; ze houdt nu al onze avonturen bij op Polarsteps:
Zo kun je, buiten mijn geleuter hier, ook de route en de overnachtingsplekken bekijken en dat is vast leuk.
Niet zo leuk als zelf reizen, dat dan weer niet.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten